Verhalen archief

De Opkomst en Ondergang van het Wielergeslacht Boersma (2014)

"De opkomst"

Benneveld, ergens in 1904:

De toenmaligde burgermeester vond het na het lezen van lEquipe in navolging van de legendarische Henry Desgrange tijd om ook in Benneveld met die nieuwigheid genaamd wielrennen te beginnen. De eerste editie van Benneveld-Sleen-Benneveld (thans bekend als trainingsomloop Sleen) was geboren.

De plaatselijke middenstand werd opgetrommeld om een fatsoenlijk prijzenschema op te stellen. Dit prijzenschema was zo genereus dat er zelfs de beruchte broodrenner met gemeen dikke kuiten helemaal met den paardentram vanuit Bodegraven kwam om een startje te wagen.
Samen met de immer goedlachse oliehandelaar uit Markelo en een renner uit Warfhuizen die in het dagelijks leven als dwerg optrad op verschillende kermissen in de omgeving de grote favoriet.

Lokale favoriet was Boersma, de rossige schapenhouder en konijnenfokker uit Benneveld. Menig dorspgenoot was er door hem op de velocipede al eens opgelegd bij een tolhuissprint (blauwe bordjes bestonden toen nog niet). Echter, hij zat wel met een probleem. Op een velocipede was het niet evident om te koersen, koersfietsen hadden toendertijd geen verzetten, maar met zo'n groot wiel door de bochten was vragen om problemen.

Gelukkig was Boersma door een handelsreis naar Duitsland goede vrienden geworden met Heinrich Rose, de lokale fietsenmaker uit Bocholt. Rose had toevallig net zijn nieuwste fiets, de rode Stier, inelkaar gelast. Na een telegraafbericht richting Heinrich werd de rode Stier naar Benneveld versand. Sindsdien is de band tussen de Boersmas en de Roses hecht te noemen. Onderwijl had Boersma zijn moeder van de schapenwol een heuse koersbroek en koerstrui gebreid.

Van de koers is niet veel bekend, alleen dat het eindigde in een massasprint, met overmacht gewonnen door een renner uit Bedum, slager van beroep. Boersma werd nog net 10e, terwijl hij zich bij het uitrijden van de laatste bocht nog op de 40e plaats begaf. Als hij zich beter geplaatst had, had hij wellicht gewonnen, maar toch: een wielergeslacht was geboren!

"De ondergang"

Financieel ging het Boersma goed voor de wind. Koersen was een volkssport geworden en de vraag naar wol was door de vraag naar koerstruien explosief gestegen. Op een dag was Boersma een duurtraining aan het doen waarbij hij belandde in het pittoreske sprookjesdorp Dwarfhuizen. Hier trof hij twee dwergen aan die gezamenlijk van lappen wol koerstruien aan het inelkaar naaien waren.

Dit bracht Boersma op een idee: "Zeg Peter", sprak hij plechtig tegen de oudste van de twee. "Voelen jullie er niet iets voor om voor mij koerstruien inelkaar te breien? Ik heb de mooiste soorten schapen- en angorawol!" "Is goud mien jung" sprak dwerg 1. "Van mien baas uut Ass'n moet ik ook schaatspakken naaien voor een omhooggevallen Fries, daar ben ik ja wel klaar mee."

Dus de twee dwergen begonnen te naaien voor Boersma. Dwerg 1 was ook goed in het maken van ontwerpen, en zo werd wielrennen ook een beetje een modesport. Zo erg zelfs dat een bekend fotomodel uit Emmen niets meer anders deed dan rondjes fietsen door het centrum, zichzelf bekijkend in etalageruiten. Maar goed, terug naar Boersma. Zoals gezegd, fietsen was een heuse volkssport geworden in Drenthe en Groningen. Van heinde en verre kwamen de meest rare snuiters op de koers af.

Eén van de raarste was wel een wc-potverkoper annex loodgieter uit Hoogkerk. Hij praatte de hele dag over zichzelf, zijn vriendin en zijn fietsprestaties in het verleden terwijl niemand hem ooit op een fiets iets had zien presteren. Men vond alleen maar fotos waarop hij gekke bekken aan het trekken was naar de camera. Gelukkig organiseerde hij wel elk jaar een koers die over een bult oude sanitair ging. Een andere aparte snuiter kwam ook voor de koers naar Groningen... Deze ietwat bijziende jongen was vroeger aardappelhandelaar geweest in Sint Annaparochie, maar had zich nu als rijwielhersteller gevestigd in Groningen en fietste ook. Boersma en de bijziende jongen werden al gauw vrienden en gingen vaak samen trainen.

De bijziende jongen praatte altijd over aerodynamica en dat bracht Boersma op een idee... Het werd weer tijd voor een handelsmissie naar Bocholt! Hij ging weer met z'n broer Henco een bratwurst eten en ondertussen een stapel koerstruien ruilen voor het neusje van de zalm; een setje Extreme Aerowheels! Deze wielen waren uitgerust met platte spaken, aerospokes genoemd. Zo gezegd, zo gedaan en Boersma was koning te rijk! Op training kon hij z'n maatjes de bijziende fietsenmaker en de pannenkoekenbakker uit Tuk flink pijnigen. Toch viel het plaatsen in de sprints nog tegen en reed Boersma geen noemenswaardige uitslagen.

De bijziende fietsenmaker stelde voor om een weekje in Spanje te gaan trainen met een groepje. Zo konden de sprinttrein voor Boersma perfectioneren, kon Boersma nog aerodynamischer angorawol inkopen voor nog betere snelpakken en kon de bijziende fietsenmaker zelf goedkoop onderdelen scoren op de vele markten en braderieën aldaar. Boersma was meteen voor en stelde voor om zijn boezemvrienden de pannenkoekenbakker uit Tuk en Fabian, de pizzabakker uit Beijum die ook hard fietst, ook uit te nodigen. De bijziende fietsenmaker kwam op het briljante plan om zoveel mogelijk mensen mee te nemen, of ze nou konden fietsen of niet. Want dat scheelde in de kosten.

Zo kwam het dat op een vroege morgen eind april 1909 een bonte stoet vertrok richting het magische oord Salou. De bus was geregeld door de bijziende fietsenmaker, dus reden ze in een oud aftands barrel vol met kampers richting de zon. Daar aangekomen stapte Boersma als eerst uit de bus en wist hij niet wat hem overkwam! Hij werd overladen met slingers en kreeg een beeld van een Boedha! Iemand met vuurrood haar! Dat hadden ze in Spanje nog nooit gezien dus de lokale bevolking dacht dat hij een god was! De bijziende fietsenmaker hinnikte van het lachen en Hajo (waarvan niemand wist wat hij deed want niemand verstond hem) riep: "Haha, kiek 'm goan die rooie!"

Terwijl Boersma genoot van alle aandacht ging de rest trainen. Boersma zagen ze pas die avond weer toen ze in de herberg gingen eten en drinken. Het vrouwelijke gedeelte van de lokale bevolking was Boersma compleet vergeten want ze hadden alleen maar oog voor Erik-Jan, een skiënde tandarts die opviel omdat hij altijd een muts droeg. Zo een mooie man had nog niemand gezien, hij was zelfs mooier dan het fotomodel uit Emmen! Erik-Jan was een trouwe kerel en had thuis een meisje zitten dus hij wimpelde alle vrouwen charmant af. Fatima, de dochter van de herbergier had stiekem wel een oogje voor Boersma. Boersma zag zo'n exotische schone ook wel zitten. Immers, zo kon eindelijk dat rooie eens uit de familielijn der Boersmas gefokt worden!

Na een paringsdans van wel twee uur kwamen ze nader tot elkaar. Boersma besprong Fatima vol met passie zoals een kat zijn prooi bespringt en wat daarna gebeurde laten we achterwege omdat hier ook kinderen meelezen... Deze avond was wel het begin van het einde van de wielercarrière van Boersma. Ondanks dat ze de meest romantische avond ooit beleefden is het nimmer wat geworden tussen onze sympathieke schapenhoeder en Fatima. De afstand, de taalbarrière en het feit dat Fatima allergisch was voor schapenwol deden hun prille romance de das om. Toch was het voor Boersma een onvergetelijke week en kon hij z'n wielercarrière op deze manier afsluiten met een groot uitroepteken!

Dat voorjaar was hij namelijk al hard gevallen in Sleen-Benneveld-Sleen en hij besloot zijn Rode Stier dan ook te verkopen en naar Enschede te verhuizen. Eenmaal gesetteld daar vond hij het tijd de banden met Heinrich Rose weer aan te halen, samen met z'n broer Henco ging hij weer een bratwurst halen en sloeg hij z'n spaarpot kapot om de nieuwste fiets te kopen. Inmiddels verkocht Heinrich geen Rode Stieren meer, maar stond er gewoon Rose op de onderbuis. Boersma kocht een echt bling-bling model met hoge velgen. Niemand wist het, maar Boersma was stiekem wel van de bling! Sindsdien reed hij met deze glimmende bak z'n rondjes, vooral om indruk te maken op de lokale bakvisjes van Enschede.

Sleen-Benneveld-Sleen heeft hij nooit meer gereden...

(Door: Tom Akkerman, februari 2014)

Het kabeltje van Cipollini

Voor de verandering maar weer eens een verhaaltje over Salou. Nee, niet over de afgelopen Maarten Spanjereis. Vanwege mijn verblijf in Canada heb ik die helaas moeten missen. Een verhaal uit de oude doos dan maar. Zoeken onder onderwerp wielrennen. 

Al voordat hij in de Tour de France met bidons begon te smijten stond hij in het peloton bekend als een bijzonder domme renner. Dit was hoogstwaarschijnlijk omdat hij dom was, al was hij daar zelf nog niet zeker van. Vanaf het balkon van zijn hotelkamer zag hij de palmen op de boulevard, de mensen die voorbij kwamen en de zee. Hee, de zee! Hij bedacht zich hoe makkelijk het altijd was de zee te herkennen omdat die immers meestal blauw was. 

De afgelopen zomer heb ik, samen met mijn Giant, voor een groot deel in het zonnige Salou doorgebracht. Ons verblijf in de Capital del Sol begon in lichte mineur: Tijdens het vervoer per vliegtuig was namelijk het kabeltje van mijn voorderailleur geknapt. Dat zijn geen leuke dingen. Dat mijn kabeltje geknapt was, was niet zozeer te wijten aan een gebrek aan respect voor mijn fiets van de kant van Martinair, maar toch vooral aan de staat waarin het kabeltje al voor vertrek naar Spanje verkeerde. Mijn voorderailleur vertoonde al enkele maanden sterke overeenkomsten met een uitkeringstrekker; hij werkte bijna nooit. Zo had hij het tijdens de toerversie van de Amstel Gold Race begeven tijdens de beklimming van de gevreesde Vaalserberg. De tweede helft van de koers heb ik toen noodgedwongen op een aanlopend binnenblad gereden. Soms voel ik mij echt een held. 

Een dag voor vertrek naar Spanje had ik bij Van Herwerden (bij mijn ouders aan het eind van de straat) een nieuwe voorderailleur gekocht. Een kabeltje had ik echter niet nodig gevonden. Daar was ik dus mooi klaar mee: In Salou met een glinsterende Giant zonder versnellingskabeltje. U moet weten dat het vinden van een versnellingskabeltje in Salou niet bepaald de 1,2,3-show met Ted de Braak is. De dichtstbijzijnde fietsenwinkel is namelijk in Tarragona, een excursie die vanuit Salou zeker een halve dag kost. Daar had ik natuurlijk weinig zin in, ik hou sowieso al meer van rauwkost. Maar zoals wel vaker bleek ik Vrouwe Fortuna Sittard aan mijn kant te hebben. 

Met een stukje wc-papier probeerde hij een koffievlek van zijn paars-geel-groene trainingspak te poetsen. Het was zijn lievelingstrainingspak, hij had het nog samen met zijn vrouw gekocht tijdens de kortingsdagen van de visafslag van Koksijde. Hij stak zijn voeten in de mooie blauwe slippers met dolfijntjes erop die hij voor zijn verjaardag had gekregen. Slippers waren altijd erg handig, want dan hoefde hij niet te veteren. Hij boog voorover over de reling van het balkon dat bij het etablissement hoorde. De mensen beneden leken allemaal heel kleine mensjes. Grappig was dat. Hee, er zaten mensen op het balkon naast hem. "Hallo." Zei hij tegen zijn buren. Maar die hoorden niks want hun kinderen maakten zo'n herrie. Hij was zo iemand die altijd even "hallo" tegen de buren moest zeggen. 

Tegelijkertijd met mij was een heel peloton wielrenners in Salou neergestreken. Het één of andere rondje van Catalonië had een aantal etappes in buurt van Salou op het programma staan. Hotel Blau Mar bood onderdak aan maar liefst drie ploegen: Banesto, Mapei en Vitalicio Seguros. Met een beetje lef moest daar toch de oplossing liggen voor mijn probleem, het geknapte versnellingskabeltje (u volgt mij toch nog wel, beste lezer). Bij hotel Blau Mar waren de materiaalmannen druk in de weer waren. Ik besloot eerst maar eens bij Vitalicio aan te kloppen, de kleinste ploeg zou immers ook wel de minst arrogante zijn. Niet dus. Het viel me op hoe vies hun fietsen nog waren. Niet getreurd, er waren nog twee ploegen over. Bij Mapei had ik meer succes, net zoals de meeste wielrenners trouwens. De Mapei-materiaalman was een rossige man van een jaar of dertig. Hij zag er uit als de typische Belg. "Mijn versnellingskabeltje is kapot," zei ik tegen hem, "heb jij er misschien één voor me?" Hij keek me een beetje onbegrijpend aan en ging door met datgene waar hij mee bezig was. "Als je me niet wilt helpen mag je dat ook gewoon zeggen hoor." Zei mijn grote bek. Hij maakte zijn klusje af en kwam naar mij en mijn fiets toe. "Now what was it you said didn't work?" Geen Belg dus, maar een Amerikaan. Ik legde hem mijn probleem uit en vertelde hem dat de dichtstbijzijnde fietsenmaker in Tarragona was. Wat mij een halve dag blablabla ... Waarschijnlijk al lang blij dat ik hem niet vroeg mijn fiets te repareren klom hij in zijn materiaalwagen, om me even later een glinsterend nieuw kabeltje te overhandigen. "I think Frank won't mind using his old cable for a few more days ..." 

"Wat een lekker weer is het hier! Oudgedienden als Gianni Bugno en Ruud Neus zouden er hun heus toch zeker niet voor ophalen!" Dacht hij bij zichzelf toen hij op zijn slippers het hotel uitliep voor het wandelingetje dat hij altijd maakte als ze in een nieuwe stad kwamen. Hij had altijd al een grote interesse gehad voor andere culturen. Na enige aarzeling draaide hij op de boulevard naar links. Flip, flap, flip. Over een half uur moest hij weer in het hotel zijn om zijn fietskleren aan te trekken. Hij moest immers nog fietsen die dag. Want dat was zijn werk. In welk land waren ze ook alweer? 

Die middag stond mijn eerste tocht door de omgeving op het programma. Ik had besloten naar Riudecanyes te gaan om daar naar het Castell de Escarnolbou te klimmen, één van de weinige tochtjes in de buurt die ik nog nooit had gereden. Maar eerst ging ik nog even een praatje met mijn nieuwe vriend gaan maken om hem te bedanken. Beladen met twee volle bidons, een aantal bananen, een kaart en een walkman stapte ik bij hotel Blau Mar van de fiets. In de achterklep van zijn wagen zat de materiaalman rustig aan een stel schoentjes te prutsen. Ik liet hem zien dat mijn fiets weer prima in orde was dankzij het exclusieve Mapei-versnellingskabeltje dat hij me gegeven had. Hij vertelde me dat hij vroeger voor US Postal gewerkt had, waar toen onder andere Max van Heeswijk in de ploeg zat, een renner die hij erg hoog had zitten. "He doesn't realise how good he is." Hij draaide het linker schroefje van de schoen nog eens goed aan. Aan de schoenen zou het in ieder geval niet liggen als Frank Vandenbroucke die middag de tijdrit niet zou winnen. 

Daar kwam Frank al aan om zijn schoenen op te halen. Nou heb ik Frank Vandenbroucke nooit gemogen, en een ontmoeting met de beste man heeft me helaas niet van gedachten kunnen doen veranderen. Maar hij wist lekker niet dat ik er met zijn versnellingskabeltje vandoor was gegaan. Een volgende renner kwam een praatje maken. Met al mijn wielerkennis (zie toch ook vooral de stand van de Superieure Sportdirecteur) had ik geen idee wie hij was, maar ik besloot dat dat de pret niet mocht drukken. De renner gaf zijn jasje aan de materiaalman, die mij een moment vragend aankeek en toen besloot dat hij het jasje toch eigenlijk niet zomaar aan mij kon geven. Jammer. 

Omdat ik toch wat moest zeggen vroeg ik de renner of ze in het binnenland geen last hadden van de hitte. "Welke hitte?" We raakten in gesprek, eerst nog over wielrennen, maar al snel veranderde de renner het onderwerp gesprek. "En wat doet gij hier in Spanje, met vakantie zeker?" Ik legde uit dat ik naar Salou was gekomen op zoek naar een baantje voor de zomer en dat ik nu professioneel mensen op straat lastig viel. Kaartjes uitdelen om mensen een discotheek in te krijgen. De onbekende renner was duidelijk blij dat hij eindelijk eens niet de hele tijd over wielrennen hoefde te praten. En eindelijk iemand anders dan die domme Steels met zijn dolfijnenslippers om zijn moedertaal mee te praten. 

Hij keek op zijn horloge: "Ik start over twintig minuten, ik moet er maar eens heen." Dat was natuurlijk ook een goed idee, ik vroeg hem waar de start van de tijdrit precies was. "Oh dat weet ik niet, maar hij zegt dat'ie de weg weet" Zei hij, wijzend op een stoere renner die net het hotel kwam uitlopen. Een dure zonnebril hield zijn gekrulde haar naar achteren, een baardje van één dag prijkte op zijn grote kin. Uit de grote gelijkenis met Sandor Steverink leidde ik af dat dit Zanini moest zijn. Hij legde uit dat de start bij de achteringang van het pretpark Port Aventura was. Wist ik dat ook weer. 

De onbekende renner en Zanini wilden net wegrijden toen ze gekletter hoorden. Het klonk als een wielrenner die met fiets en al van het kleine trapje voor de ingang van het hotel was afgedonderd. Tien meter van ons vandaan ontwaarde ik een hoopje Tom Steels, in innige omhelzing met zijn fiets. "Ssst, vertel hem niet dat ik hier ben!" Zei de onbekende renner terwijl zich achter de materiaalwagen verschool. Enigszins gedesoriënteerd bewoog de inmiddels opgeklauterde Steels zich in richting van de boulevard. Zijn helm zat scheef op zijn hoofd. "Het is maar goed dat hij altijd een helm draagt," siste de verscholen renner me toe, "Hij draagt die helm alleen om veilig van zijn hotelkamer naar de start te komen." 

Au, dat deed pijn. Maar tijd om te zeuren had hij niet want over een kwartier moest hij fietsen. Hij had er eigenlijk helemaal geen zin in. Meestal vond hij fietsen best leuk maar niet als hij alleen moest fietsen. De ploegleider had gezegd dat hij het vanmiddag in de tijdrit rustig aan mocht doen. Maar hij hield helemaal niet van alleen fietsen en je werd er ook zo moe van. Daarom reed hij altijd maar zo hard mogelijk, dan was hij eerder bij de streep. 

Bij de start was het opvallend rustig, slechts enkele tientallen mensen hadden de moeite genomen naar de achteringang van Port Aventura te komen. Ik was de enige niet-wielrenner op een racefiets. De gemiddelde Guardia Civil ziet echt het verschil niet tussen een Hinko Rookmaaker als ik en Abraham Olano, wat betekende dat ik overal toegang had. Daar kwam bij dat ik het versnellingskabeltje van Vandenbroucke had dat er bijzonder professioneel uit zag. Ik reed wat inrijrondjes met de professionals en verkende het eerste deel van het parcours. Het feit dat ik zomaar met profrenners kon meerijden wond me echter weinig op. Dat had ik immers in 1995 al eens meegemaakt tijdens de Tour de France. In Huy vergezelde ik destijds Miguel Indurain op zijn inrijtraininkje van exact 25 kilometer. Ik had zelfs nog met Miguel over Ajax gepraat. Na de belevenissen van die dag kon een rondje met een gemiddelde Telekom renner me niet echt meer boeien. Daar kwam bij dat de meeste wielrenners er niet uitzagen alsof ze veel te melden hadden. Alle activiteit werd door de Spaanse zomerzon uit hun lijven gebrand. 

De vertrekkende renners werden bemoedigend toegeklapt door een handjevol journalisten. Een voor één vertrokken de renners. Daar ging Tom Steels, zonder helm. De volgende was Armstrong die alle handen op elkaar kreeg. De onbekende Mapei-renner met wie ik had gepraat, begaf zich naar het startpodium. Nog twee renners, dan was het zijn beurt. Uit de mêlee aan Spaanse woorden die de speaker uitbraakte kon ik de naam Wilfried Peeters destilleren. Aangenaam. 

Terwijl ik over de dranghekken hing -er waren meer hekken dan toeschouwers- kwam er een jongentje met een ongelofelijk babyface naast me staan. Saeco, stond er op zijn shirtje. Hij zou moeite hebben een disco binnen te komen in Salou, dat wist ik zeker. Hij zag er veel te jong uit. La Cage binnenswingen om vervolgens in snelpak op het podium te gaan staan touwen zou voor hem waarschijnlijk niet tot de mogelijkheden behoren. Paolo Savoldelli. Nou niet bepaald een killer, zo op het eerste gezicht. Enkele meters van ons vandaan stond zijn ploeggenoot Cipollini ondertussen de playboy uit te hangen. Een geile rondemiss met erg mooie ogen drukte hem twee kaartjes in zijn hand. "Entrada gratissss ..." Cipollini zou het in La Cage aanmerkelijk beter doen die avond. 

Hè hè, hij was over de streep gekomen, het zat er weer op voor vandaag. "Asics" Las hij van het shirtje van een renner, dat was niet de naam van die renner, dat wist hij best, dat was de ploeg waar hij voor reed. Hij reed meteen verder om een waterijsje te kopen. Hij zou er ook één voor Wilfried kopen, want die zou ook bijna binnenkomen. Dan zou Wilfried vast wel een raket lusten. 

Die nacht, nadat ik klaar was met mijn werk, besloot ik een rondje langs de disco's van Salou te maken. Omdat ik in Salou werkte kon ik overal immers toch gratis naar binnen. In La Cage stond Cipollini met een brede grijns op het podium te swingen. In zijn Saeco snelpak werd hij zowat uit elkaar getrokken door het vrouwvolk. Ja wat wil je ook, twee meter met een geblondeerde kop en een bruine olympische pornotorso. En laten we vooral de kettingen van knaakland niet vergeten. Een Baskische meid stond met haar veel te dikke kont uitnodigend tegen hem op te rijden. 

Dit jaar wil ik het kabeltje van Cipollini. 

Hinko Rookmaaker

Hugo Boss 53x12

In Nederland had hij een vriendin en een baan. Van 8 tot 5. En dan op de bank. Eigenlijk was hij te snel oud geworden. Dat vond hij zelf ook wel. Hij droeg altijd een grijs pak, met een stropdas als hij werken moest. En van die vunzig glimmende zwarte schoentjes die het op kantoor altijd zo goed deden als er weer geld verdiend moest worden. Elke dag was hij in de omstandigheid op zijn werk zijn AD-tje te lezen, dit alles natuurlijk onder het genot van een vers getapt kopje koffie. Iets waar de gemiddelde politieke gevangene in Iran of Algerije toch jaloers op zou zijn. Iets waar zelfs de gemiddelde Telegraaf-lezer jaloers op zou zijn. Maar toch was hij niet gelukkig. Hij was nog maar 28, en net als die politieke gevangenen kwam hij bijna nooit meer in de kroeg. 

Net als die politieke gevangenen had hij weinig hoop op verbetering, maar omdat hij toch weinig te verliezen had, besloot hij met de wielrenvereniging mee te gaan naar Salou. Net als die politieke gevangen. Eigenlijk was hij alleen maar lid geworden vanwege de goedkope kleding en was daarna vergeten zich lid-af te melden. Nu kon hij net zo goed van zijn lidmaatschap gebruik maken. Met van die jonge broekies een beetje door de Spaanse heuvels rossen. Misschien dat het virus van de onbevangen jeugd besmettelijk zou blijken te zijn. Om het feest te perfectioneren had hij ook zijn Friese vriend Alfred ingelicht. Alfred droeg altijd een blauw t-shirt met twee grote rode letters: SF. SuperFries. 

In Salou ontpopte de kantoorklerk zich als een ware levensgenieter. "Geweldig initiatief jongens, echt geweldig!" Alleen zijn woordkeuze verraade nog zijn stoffige bestaan. Zijn goed gevulde portemonnee maakte dat hij al snel veel vrienden had. De wandelende flappentap had naar eigen zeggen toch teveel geld en te weinig vrienden en wist bij god niet wat hij met beiden moest. Zijn favoriete tijdverdrijf bleek het aangaan van onzinnige weddenschappen die hij vervolgens interessant maakte door er een gigantisch bedrag tegenover te zetten. 

Het voorstel luidde als volgt: "Geweldig initiatief jongens, echt geweldig, maar nu even plenair, jongens, het volgende voorstel is het volgende (wat op zich logisch was): Ik vertrek een half uur eerder dan de groep. Degene die mij het eerste inhaalt krijgt voor 50 piek aan drank. Maar nu komt het, nu even plenair, want nu komt het:!" "Pffft..." Liet SuperFries een h arde wind. Maar door dit soort platvloerse humor liet Meinte zich niet van de wijs brengen. Als waren het politieke gevangenen, zo ongestoord vervolgde hij zijn verhaal. "Na 40 kilometer keer ik om, degene die mij het eerste tegenkomt moet mij dan voor 2000, gadverdamme, ptas (dertig piek) drank betalen! Verder geweldig initiatief trouwens." 

Om de weddenschap nog spannender te maken besloten de verzamelde dronken koppen bijeengestoken de deal nog ietsjes aan te passen: de eerste die de prooi tegenkwam zou 500 ptas te betalen hebben, de tweede 1000 en de derde 1500, nummers 4 en verder betaalden niks. Zo zou het nog een tactisch spel worden ook. Niemand snapte het nog precies, dat maakte het nog extra spannend. SuperFries was de kwijt al lang draad. 

De volgende ochtend werd Meinte al om half één ‘s middags wakker. Hij deed drie kniebuigingen, een salto met dubbele Rittberger en sprong uit bed. "Goeiesmorgens!" Hij was er klaar voor, voelde zich goed, was in vorm en stond op scherp. Vorm is iets ongrijpbaars, maar soms voel je gewoon dat het er is. Bij de aftrap van een belangrijke voetbalwedstrijd, voor de start van de clubkampioenschappen, als je met je hand onder de blouse van die geile rondborstige meid in de Snoopy’s zit. Meinte poetste zijn fiets nog eens extra op. 

Drie minuten voor vertrek bemerkte Meinte iets vreemds aan zijn fiets. Zijn favoriete verzet voelde niet meer als de 53x12 die hij anders altijd zo soepeltjes rondtrapte. Was dit het dan, plankenkoorts, nervositeit, de moed die hem in de wielerschoentjes zonk. Hij keek zijn uitrusting nog eens goed na. Broek? Check. Shirt? Check. Helm? Check. GSM? Check. AD-tje? Check. Zuidvruchten? Check. Geld? Cheque. Alles leek toch in orde, of, of... wacht eens. Die verdraaide kwajongens! Waar tot voor kort zijn buitenblaadje 53 had gezeten, glinsterde nu een tweede binnenblad 42. Vloekend stoof hij het appartement weer in. Gillend rende een onbekende vrouw de badkamer in. Verkeerde appartement. Volgende deur. Al snel had hij zijn vertrouwde 53 gevonden, die lag waar hij al dacht dat die zou liggen: in de tas van SuperFries, onder de vieze onderbroeken die hij speciaal uit it heitelân meegebracht had. In 3 uur 1 minuten, 23 seconden en 56 honderdsten slaagde Meinte er in de grote molen op zijn fiets te monteren. "Vooral met harde wind is dat wel eens handig, een grote molen." Dacht hij bij zichzelf, "als het maar geen pepermolen is, heh heh." Precies op tijd schoot hij op zijn fiets het appartement uit om zijn weddenschap aan te gaan, er was geen seconde meer te verliezen. Met vliegende start en zakken gevuld met proviand stoof hij weg. Stofwolken vulden de Carrer Carles Buigas. "Toedeledokie!" Kantoorhumor. Dat je denkt dat het leuk is iets te imiteren dat wel leuk is dat jou imiteert. Weg was hij al. Het publiek ging wild tekeer. Dit wilden ze niet missen. Meinte zou alles geven om na 15 minuten de man met hamer tegen te komen en dan met alles wat hij waard was zijn 50 piek te proberen te redden. Want dit moet u namelijk weten, tempo rijden kon hij wel, maar uithoudingsvermogen was nooit zijn sterkste punt geweest. Of zoals zijn coach bij een ploegentijdrit al eens opmerkte: "Als Meinte zijn goed gevulde portemonnee meeneemt, heeft hij zeker zijn waarde..." 

Al na 20 minuten was hij terug in het appartement. De laatste dampen van schroeiend asfalt stegen nog op uit de sporen die zijn vertrek in het wegdek had getrokken. In een drentelgangetje legde hij de laatste meters van zijn eerloze terugtocht af. Een Mapei-renner die helaas had moeten afstappen tijdens het criterium van Haren. "Geweldig initiatief jongens, echt geweldig, maar er kwam een trein, een hele grote en heeeeele lange en toen kon ik niet verder en toen- dus ik dacht ik ga maar terug. Zoiets. Heh, lache jongen!" Waar hij die ochtend nog had gehoopt in één klap een grote held te worden, daar werd hij nu schaapachtig uitgelachen door zijn makkers. "Mêêêêh!" 

Die avond, discoteca Snoopy’s. De muziek pompte weer op volle kracht uit de speakers, op de manier waarop dat alleen in Spanje schijnt te kunnen. De geur van Hugo Boss met een vleugje stijl, zeg maar. Alsof je in je Ferrari de Palace komt binnenrijden. Je je Lamborghini twee meter voor de ingang van de Tapperij parkeert, naar binnen gaat en twee Sex on the Beach bestelt. In Nederland kan dat dus niet. Dit was Salou. Hier werd geriemd, gerimd en gegespt. Als helden werden de Groningse vrienden verwelkomd door een haag van uitdagend dansende, schaars geklede Spaanse chica’s. Als ware marktkoopvrouwen prezen zij vanaf de verhogingen hun waar aan. En niet duur, muy barato. Mozes en zijn volgelingen baanden zich een weg door een uitzinnige massa, hun kleding onberispelijk wit, de ray-bans losjes op de neus, de haren strak in het vet. Mozes schudde zijn wilde afro-bos nog eens goed los, "Oewat een te gekke plaat!"Op zijn zilveren discoschoenen met plateau-zolen schoof hij de dansvloer op. Wat onwennig keken de meegereisde Amsterdammers om zich heen. "Batüwü griekgriek," zeiden ze tegen elkaar. 

Het was hier dat de echte strijd geleverd werd, niet in de lange beklimmingen in het Catalaanse binnenland, niet in de barre kou die een uitgeputte renner soms verwelkomde op de Spaanse hooglanden. Met verve mengde Meinte zich in het gevecht en bestelde hij een biertje. Hij was populair bij alle meiden. Met één arm om een Spaanse pornokoningin, één om twee jonge dames en één op de bar was hij helemaal het mannetje. En maar grijnzen. "Geweldig initiatief jongens, echt geweldig!" Zei hij, terwijl hij zijn vriendinnen nog eens goed beetpakte. Het werd tijd voor een goed gesprek, iets leuks, iets grappigs, iets witzigs zeg maar. Geinig. Hoe deden ze dat op tv ook alweer? Hij wende zich tot een willekeurige blondine in zijn armen: "Heh, ik sta net op de tramhalte... eh ...wat heb je dikke tieten!" In hoog tempo nam de geilheid beslag van hem. Die vreselijke confrontatie tussen onontkenbare natuurlijke lusten en verstandig geweten waar iedere man wel eens last van heeft. Hij nam nog maar een slok van zijn bier. "Knor!" zei SuperFries, in een laatste poging zijn vriend schaapachtig aan te kijken. 

Aan de andere kant van de dansvloer stond Richard een beetje onschuldig te touwen met de één of andere Nederlandse doos. "HAAA, hee Meinte, goede sfeer, hahaaaa!!" Stond El Rancio licht te geven. Voor Meinte was de dodelijke cocktail van drank en hormonen die zich in zijn lichaam had opgehoopt nu echt niet meer te temmen. Meinte Gianetti. Zijn geslacht begon steeds nadrukkelijker tegen zijn portemonnee te drukken en omdat geld macht is, wende hij zich tot Richard’s naaisetje: "Ik kan niet met je neuken, want ik heb een vriendin, maar ik wil wel graag even aan je tieten voelen... en daar wil ik best voor betalen!" 

Het was alsof er een R&B plaat gedraaid werd, iedereen hield ineens op met dansen. En zelfs de muziek verstomde. Bij een bedrag van f700 koos de meid definitief voor Richard omdat die toch meer sfeer had.

Nog krommer dan een banaan

Appartamento 508 lag op de vijfde verdieping, op de hoek van de grote straat waar dag en nacht leven was. Vanaf het balkon was het prima schreeuwen naar alles en iedereen die er voorbij liep. De gemiddelde dagindeling in appartement 508 zag er als volgt uit. Om een uur of twaalf stond iedereen op, nog half ziek van de voorgaande nacht. "Wat voel ik me ziek," dacht iedereen, behalve Hinko die van pure hyperactiviteit niet wist welk restje hij het eerste naar binnen moest klokken. Dit was de druppel die voor de misselijke Victor dan weer de emmer deed vollopen.
Om ongeveer drie uur werden de glimmende fietsen bestegen voor een leuke fietstocht door het spaanse binnenland. Na terugkomst volgde een onverheerlijke niet te versmaden maar koude douche. Daarna was het nassen geblazen. In restaurantos appartemento 508 stond maar één gerecht op het menu (maar wel heel vaak): tortellini in tomatensaus. Na het eten was het om tien uur dan eindelijk zover, dan kon het indrinken beginnen. "Hè, hè, het is dan eindelijk zover," dacht Jabik, "Het indrinken kan beginnen!" Bier en enkele flessen sterke drank deden de stemming oplopen tot immense hoogten. "Zo hoog dat, dat, datter sneeuw op lag!" zou Piet van der Paal zeggen. Toen rond een uur of één/twee alles op was toog de bende naar de disco's. Snoopy's en vooral Tramps waren de plaatselijke favorieten. "Tjongejonge, wat zijn zijn die favoriet," dacht Victor nog.

De eerste noemenswaardige daad kwam op naam van wandelende hormonenkit Sandor S.. Met het combinatieklassement in het achterhoofd en een dwingende lust in zijn lichaam nam hij een lelijke Italiaanse mee naar appartement 508. U vraagt, wij graaien. Wat er op zijn kamer gebeurde voordat hij haar om 5 uur 's nachts de deur wees ("Daar") heeft hij nooit in detail willen vertellen ("Dat wil ik niet in detail vertellen"). Say no more. Toen iemand de volgende ochtend verbaasd, lichtelijk kotsend, het pleepapier in de aanslag vol walging uitriep "Ben jij met die Italiaanse naar bed geweest!?" Was het enige wat hij antwoorde: "En lelijk hè, dus extra punten!" 
Gelukkig was Sandor niet de enige die het goed deed bij de dames ter plaatse. Als je dat van hem al een dame kon noemen.

Dat dat inderdaad zo was, merkten Jabik en ik even later. Toen we op de weg terug van de supermarkt tegenover de groenteboer (die ook komkommers (groen) verkocht) een bus met overheerlijke rijpe Spaanse meiden zagen staan ("het ziet er niet uit maar het staat er wel") wuifden we puur voor de lol even naar de bus. Nooit hadden wij hiervan de gevolgen kunnen voorzien. Het leek alsof een storm plotseling was losgebarsten in de bus, gelijk overrijpe appeltjes van een boom vielen ze voor de twee nietsvermoedende ("Ja, kunnen wij er wat aan doen dat we zo knap zijn?") Hollanders. De dames verdrongen zich voor de ramen en zwaaiden uitbundig naar ons, ieder voor zich hopend op een glimlach van één van ons en vooral van mij.

Op dat moment veranderde er iets in de levens van Jabik en Hinko. Vastberaden doken ze de eerstvolgende winkel in om een memoblok te kopen. Thuisgekomen gaven ze Victor de opdracht om op de plakkant van de memo's ons appartementnummer te zetten. Dat liet Victor zich geen twee keer zeggen. "Dat laat ik me geen twee keer zeggen." Het idee achter dit alles was, dat als we weer een bus vol met interessante dames tegen zouden komen, we de memo's op de ramen zouden kunnen plakken om ze op die manier ons adres te geven. De rest van de week liep elk van ons drieën met een fikse stapel memo's op zak, voor het geval dat. Want zoals een groot Surinaams drugsbaron ooit zei: "Als ze hun spelletje gespeeld hebben, als ze hun troefen op de tafel hebben gelegd, dan ben ik aan zet."

Later die dag brachten we de vlakbijgelegen stad Taragonna een bezoek. Leuke stad! De stad leek wat tè opzichtig gesnoept te hebben uit de pot met Spaanse schonen. Smachtend keken ze de TH afvaardiging na wanneer die passeerde. Er gebeurden daar dingen die echt nergens op leken te slaan. Niemand hoeft me te geloven als ik zeg dat op een gegeven moment een groep dames zelfs gillend op me af kwam rennen en op vier meter afstand stilletjes naar me bleef staan kijken. Zoiets zagen ze daar niet elke dag. Probeer jezelf maar eens een houding te geven bij zoveel vrouwelijke aandacht, eerbetoon bijna. Leuk was het wel.

Nadat we tijdens de wandeling een paar terrasjes, de kathedraal ("het ziet er niet uit, maar het staat er wel") en de universiteit bezocht hadden, besloten Richard en Victor dat het weer eens tijd werd voor spektakel. Richard zette zijn grote grijns op en Victor maakte zijn bril nog eens goed schoon. De groepen meisjes volgend kwamen ze uit bij een school. Zonder een seconde na te denken liepen de twee Hollanders naar binnen, even later gevolgd door de rest van de TH-equipe, want zoals een oud surinaams spreekwoord luidt: Als de klappers ver van de waaibomen vallen kun je ze moelijk vangen, en andersom natuurlijk. 


Binnen in de school was het druk, als vissen krioelden de leerlingen door elkaar (zodat we hier met recht van een school mogen spreken (hè, hè, heeft u 'em?)), het was blijkbaar net tijd om van lokaal te wisselen. Verbaasd doch niet bevreesd keken de leerlingen de vreemde indringers aan. "Wie is die man?" moeten ze gedacht hebben toen Richard met grote passen schijnbaar vastberaden voorbij kwam zetten. Niemand gaf echter een kik, geen docent of conciërge die vroeg wat wij in nom de dios kwamen doen. De schier onstopbare Richard was inmiddels al tot de cantine doorgedrongen en ook Victor was in het binnenste der binnenste van de school gearriveerd. Voor de vorm teste Richard het herentoilet nog even, psssss. Klaar. "Ho, wacht op mij!" Riep Richard, terwijl hij achter zijn vriendjes aan de school uitrende.

Op het station van Taragonna moest lang gewacht worden op de trein naar Salou. Maar de trein die na een uur wachten het station kwam binnenrollen was het wachten meer dan waard, werkelijk een bijzonder fraai exemplaar. Het was er één van de grootste luxe, precies iets voor ons dus. De stoelen waren ruim en mede daardoor heerste in de trein een serene rust. Na een paar minuten gingen de tv's aan. Als ik de koptelefoon van mijn walkman in de rug van de stoel voor mij inplugde, kon ik het geluid van de tv horen. Wat een luxe voor een retourticket van drie gulden vijftig! Dat vond de conducteur ook wel. Hij probeerde ons duidelijk te maken dat de trein niet in Salou zou stoppen. Dikke lul, station Salou was net aangekondigd als de volgende stop! Het bleek dat hij, speciaal voor ons, de trein liet stoppen op een station twee kilometer voor Salou: Port Aventura. Alleen hadden wij dat niet door, nee, wij bleven keurig zitten, dit was ons station immers niet, en de film werd ook net spannend. "Salou, Salou!" Schreeuwde de conducteur naar ons. "Hè, stil nou", dachten we nog, "Ik zit een film te kijken!" Oh, het was de bedoeling dat we de trein zo snel mogelijk verlieten. Nou, daar waren we dan mooi klaar mee. Gelukkig kwam "onze" trein naar Salou er al aan: een boemeltje van het slechtste soort, tot de nok toe volgeladen met luidruchtige reizigers. De lucht in de trein drukte ons, ten overvloede, nog eens met de neus op het feit dat de meeste reizigers een lange en inspannende werkdag achter de rug hadden. Dan hadden wij het achteraf gezien eigenlijk zo slecht nog niet geregeld. En wìj waren uit de trein gezet, wat natuurlijk weer extra punten opleverde voor het combinatie-klassement.

Die avond werd voor de verandering weer een avond van feest, feest en feest. Nee echt, de beer ging weer helemaal van de dam. Als locatie werd dit keer niet gekozen voor appartement 508 maar voor 611, het appartement van Richard, Jan Braam, Maint en Dennis "Klaes" Claessen. Maint lag al in bed en Dennis was nergens te vinden. Maar dat mocht de pret niet drukken, want de alcoholhoudende dranken waren ruim voorradig. De stemming was goed. Jabik en ik verveelden iedereen weer tot in den treure met onze slechte zambezie-humor, en een lol dat we hadden. Maar ook de rest had er zin in zodat de drank als sneeuw voor de zon verdween. Het werd tijd om nachtelijk Salou met een bezoek te vereren.
De sterren stonden weer vrolijk aan het zwerk toen we over een bijna verlaten

boulevard naar de Tramps huppelden. De avond moest eigenlijk nog beginnen. Het feest in de Tramps barste pas echt in alle hevigheid los toen de TH-discoafdeling zich vertoonde. De inmiddels klassieke salou-hits werden weer gedraaid en de Spaanse meiden toonden zich van hun verleidelijkste kant bij het zien van zoveel moois. Dit alles was Victor niet ontgaan, hij besloot dat het tijd was om eens flink te gaan beesten. Met grote passen bleef hij maar heen en weer lopen van de ene naar de andere kant van de disco. Hij leek niks meer te zien. De andere discogangers konden het telkens weer langskomende "fenomeen met de zwaaiende armen" elke keer maar tenauwernood ontwijken. Maar Victor had schik. Ja, dat krijg je dan.

In de loop van de avond verdwenen steeds meer TH'ers richting bed, het zware leven was ze niet in de koude kleren gaan zitten. Rond een uur of vijf kwam Jabik op me af,"Ga je nog mee naar de Snoopy's, ik heb het wel gezien hier." Hmmm, dat lag moelijk, ik stond al een tijdje te dansen in de buurt van een leuke spaanse meid en had natuurlijk weinig zin onverrichterzake te vertrekken. "Wat de koe niet vangt kan'ie ook niet eten," dacht ik en stapte op haar af. "Hee, leuk meisje, wat toevallig dat ik jou hier tref, dat kan geen toeval zijn. Heb je zin om met me mee naar de Snoopy's te gaan?" Ze riep haar vriendin erbij, dit vroeg blijkbaar om overleg op hoog nivo. Ik was verbaasd, ze had niet eens direct nee gezegd. Ze kende me niet, had nog geen woord met me gepraat, maar ik had wel gezien hoe ze al behoorlijk wat jongens die haar probeerden te versieren had weggestuurd. En nu ineens gingen zij en haar vriendin met mij mee! Naar de Snoopy's. Het praten ging wat moeilijk. Ja, engels is moeilijk voor Spanjaarden, en spaans is moeilijk voor Hollanders, maar toch redden we ons wel. We waren al minstens vijf minuten in de Snoopy's toen die ging sluiten. Dat hadden we weer slim bekeken, of zoals een Surinaams spreekwoord zegt: Tjonge-tjonge, waar ben ik aan begonne?

Nu moesten we op zoek naar een nieuwe locatie. Jabik en ik liepen met de meisjes mee naar hun hotel, dat minstens vijftig meter van ons appartement lag. Voor hun hotel gingen we op een muurtje zitten en probeerden over van alles te praten. Richard, die we in de Snoopy's weer tegengekomen waren, had ons alweer verlaten om naar bed te gaan. En het was nog maar net zes uur 's ochtends, dus eigenlijk nog hardstikke vroeg! De twee spaanse meisjes hadden geen goed woord over voor Richard, "Rancio," noemden ze hem, wat zoveel wil zeggen als "iemand die erg vroeg naar bed gaat". Zo! 

Het begon licht te worden. Jabik begon moe te worden. Na een uurtje gingen de meisjes het hotel binnen om aan de balie toestemming te vragen ons mee naar binnen te nemen. De baas zei dat het mocht. De schoonmaaksters waren alweer aan het werk toen we met z'n vieren in de hal van het hotel gingen zitten. Jabik viel bijna van zijn stoel, zo moe was hij. Toen ik even naar de WC was vroegen de meisjes aan Jabik hoe oud ik was: "Hij is toch eigenlijk gewoon zestien, of niet?" Zij zagen er zelf ook niet bepaald uit als de zeventien en achttien jaar dat ze zeiden dat ze waren. Het probleem met Spaanse meisjes is dat je hun leeftijd zo moeilijk kunt schatten, ze zijn zo klein. Deze meisjes hadden net zo goed dertien kunnen zijn. 

Toen ik terugkwam van de plee vroegen ze me of ik ook wat spaans kon. "Vamos tricky-tricky a la playa," antwoorde ik, een zin spaans die een huisgenoot me had geleerd. Ze moesten lachen. Ze wilden weten of ik wist wat tricky-tricky (in het spaans klinkt dit als driggy-driggy) was, want zij kenden dat woord zogenaamd niet. Nee, nee. "I don't know," zei ik, "We think it's football." "So did you ever do tricky-tricky?" vroeg de meest bijdehandte van de twee. "No, I never did tricky-tricky." Antwoorde ik. "So you never played football???" 

De zon had de nacht al lang welterusten gekust en het werd voor Jabik en mij de hoogste tijd weer eens naar ons appartement te gaan, kwart voor negen 's ochtends. We spraken af dat de meisjes om ongeveer tien uur bij ons zouden komen ontbijten. Dan had ik nog een uur om de boel een beetje op te ruimen en boodschappen te doen. Goed geluimd liepen we terug naar ons appartement, want zoals een oud Surinaams spreekwoord zegt: "Oost, oewest, en er tussen in." 

Jabik trok het niet meer en dook z'n bed in. Vrolijk ruimde ik het appartement een beetje op, voor zover dat mogelijk was tenminste. Om half elf kwamen de meisjes aankakken, ze waren nog kleiner dan ik dacht, net of ze hun kleine zusjes gestuurd hadden. De meisjes trokken veel bekijks van nieuwsgierige TH-ers. De enige die zich nauwelijks vertoonde was Jabik, zo nu en dan kwam hij kotsend langsrennen om dan snel weer te verdwijnen. Ook de rest deed zijn uiterste best een onvergetelijk slechte indruk achter te laten. Dit lukte heel aardig ondanks het feit dat ook zij kotsmisselijk en vreselijk brak waren. Cees-Jan toverde een zakje waspoeder tevoorschijn en deponeerde een paar gram van het witte goud op een oud spiegeltje. Hierna verdeelde hij het poeder in keurig rechte lijntjes. De twee meisjes vertrokken geen spier en gingen vrolijk door met hun onbegrijpelijke verhalen. 

"You know 'Saved by the bell?'" Vroeg een van de meisjes. "Yes, why?" De meisjes draaiden zich om naar Victor, "Do you know Screech?" Verrek, ze hadden gelijk, Victor leek echt op Screech. "Screech!!" Daar kon die arme jongen het mee doen, gelukkig was hij zo brak dat het hem weinig kon schelen. Om een uur of twaalf kickten we de dames er weer uit, we moesten nog naar Barcelona. Hoewel ik over hun leeftijd niet al te zeker was, zal ik nooit vergeten hoe ze me lief aankeken met hun glinsterende oogjes, elke keer als ze m'n naam uitspraken... "Ginko."

Het eerstvolgende noemenswaardige feit deed zich pas weer de volgende avond voor. De "Koninginnerit" was geweest en ineens stortten ook Dennis "Klaes", Maint en Dewi zich in het uitgaansleven. Een hevige cultuurschok ging door de Tramps toen "Klaes" in zijn vrolijk roze-bruine tot-net-over-de-knieën bermuda binnenkwam, zijn witte gympen ondeugend glimmend in het disco-licht. Onder zijn olijke petje en achter zijn doorzichtige brilleglazen was hij zeer content. Wat was namelijk het geval, of moet ik zeggen: Wat wilde namelijk het toeval: Hij was in het gezelschap van twee Duitse meiden ("Chicks" zouden ze in Duitsland zeggen). Dewi en Klaes leken het goed te doen bij deze meiden. Betekenisvol keken Jabik en ik elkaar aan. Dit kon natuurlijk niet, dat was natuurlijk duidelijk, die Klaes en z'n vriendjes gingen nooit uit en nu zouden ze zeker een hele zooi punten gaan scoren voor het combi-klassement! Over onze dooie lichaampjes! We besloten dat de aanval de beste verdediging was. 

Opvallend makkelijk slaagden Jabik en ik erin de twee Duitse meiden af te pakken. Maar wat nu gedaan? Eigenlijk waren ze best aardig, de hele avond hebben we gedanst en gepraat. Klaes en z'n vriendjes waren al lang naar huis toen de Tramps ging sluiten. Jabik besloot het ene meisje naar haar hotel te vergezellen. Ik vond het andere meisje eigenlijk wel leuk, ze had een lief kopje dat me deed denken aan een meisje op wie ik vroeger heel lang verliefd was geweest, en bovendien zag ik aan de horizon reeds een enorme berg punten voor het combi-klassement gloren. Dit alles overwegende besloot ik met haar naar het strand te gaan.

Na twee stranden en een zonsopgang gingen het Duitse meisje en ik naar haar hotel. Jabik had dit hotel eerder die ochtend niet binnengedurfd toen hij zijn Steffi terugbracht, u moet namelijk weten dat het terugbrengen van meisjes zonder dat er iets gebeurd één van Jabik's specialiteiten is, maar hij is wel heel lief hoor. De enorme Samourai/soumo-worstelaar bij de ingang had hem met de staart tussen de nog ongeschoren benen doen omkeren. "Hellep, hellep!" Had hij bij zichzelf gedacht. Mij deerde dit alles totaal niet, onverschrokken vergezelde ik mijn Petra naar binnen. Op de trap bij haar kamer gingen we koekjes eten, naar binnen mocht ik niet, want daar lag Steffi al te slapen. Zoenen met koekjes in de mond was moeilijk, het was het romantische einde van weer een nacht vol avonturen. Een slechte woordgrap schoot mij te binnen. Voldaan kwam ik rond een uur of acht ons appartement binnengestapt, tijd voor een welverdiende nachtrust. Want zoals een oud Surinaams gezegde altijd zegt: "Beter één vogel in de hand dan een olifant." 

Drie uur later stond ik weer op. Vandaag zou de laatste volledige dag in Salou zijn. Vandaag had niemand meer de puf om te gaan fietsen. Ik zag hoe Jabik met Victor en Klaes op het balkon van de zon zat te genieten. Het gebeurde van de afgelopen nacht zat Klaes duidelijk niet helemaal lekker. "Jullie dâchten zeker, die Klâes, en die Dewi, dat gaat vêels te goed, daar moesten we maar wât aan doen!" "Inderdaad." Was het enige dat Jabik antwoorde. "Nôu daar bên ik mooi klaar mêe!" 

De dag werd vervolgd op het strand. Eigenlijk is het strand zo slecht nog niet, bedacht ik, terwijl ik mijn walkman nog wat harder zette en lekker in het zonnetje naar strakke dames in badpak lag te kijken. "Hard bodies" noemde Richard ze. Op het strand bleek "El Rancio" sowieso in zijn element. De zonnebril stak strak op zijn kop, zijn veel te strakke zwembroek verhulde weinig van het weinige dat te verhullen viel. Hij was gehuld in een t-shirt met op de voorkant een vent met een enorme grijns en achterop de tekst "Doctor Feelgood," een t-shirt dat eigenlijk de hele Spanjereis perfect uitbeelde. 

Op het strand toonde Richard aan dat je, om lol te hebben met een voetbal, vooral niet moet kunnen voetballen. Hij trapte de bal, die Jabik voor maar liefst 150 ptas (f2,25) had gekocht, elke keer vol overgave tegen zonnebadende oude mensen aan. Al snel werd een man zo kwaad dat hij overeind klauterde en probeerde de bal heel ver weg de boulevard op te schieten. Uiteindelijk lukte dit hem ook nog, ondanks het ook bij hem lactaat afwezige gebrek aan efidrine en voetbaltalent. En Richard had lol.

Die avond zou de laatste avond in Salou worden. Nog één keer kwam de drank op tafel. Nog één keer zouden we met zijn allen van het balkon staan te schreeuwen naar passerende dames. Nog één avond zouden Jabik en ik iedereen lastig vallen met ons Surinaamse accent en onze Zambezie-moppen. Daarna nog één keer met de zatte kop naar de Tramps. 

Die avond in het appartement kwam alle ranzigheid voor de laatste keer uit de kast. Omdat toch iemand dat een keer moest doen besloten Jabik en Victor van het balkon af te pissen. Een man kwam woedend aanrennen uit het hotel aan de overkant. Vanaf het balkon wist Jabik de boel nog net op voor hem zo typerende manier te sussen. De avond was goed begonnen. Of, zoals een bekend Surinaams spreekwoord het verwoordt: "Wie niet eet kan honger krijgen."

In de Tramps kwamen we Klaes c.s. weer tegen. Zij waren net als de vorige avond in het gezelschap van de twee duitse dames. Zonder veel problemen verlosten Jabik en ik onze vrienden van hun vrouwelijk gezelschap. Onze Friese makkers hadden de twee dames al redelijk vol alcohol laten lopen, waarvoor wij ze zeer dankbaar waren. Na een half uurtje Tramps besloot ik met mijn dame de rust van ons appartement op te zoeken.

Appartement 508 lag er verlaten bij. Niemand was nog teruggekeerd van het uitgaan. Ik liet Petra zien waar mijn matrasje lag. Ik sliep altijd op het balkon. Een paar uur later vertrok ze weer op kousevoetjes, dit om vooral geen teruggekomen TH-ers wakker te maken. Victor zag haar nog net weggaan toen hij terugkeerde van een volgens hem bewogen nacht. Hij zag nog net haar haar dat in de war zat. En een vuurrood hoofd.

Voor Cees-Jan was de nacht een stuk minder plezierig geeïndigd. Op de weg terug uit de Tramps werd de sympathieke TH-er, die voor de verandering en de grap weer eens in zijn TH-shirt was uitgegaan, door een stel dwars door hun kruis naar knoflook stinkende fransen overtuigend op zijn in het maanlicht zo aantrekkelijk schitterrende bolletje geslagen. "Au," dacht Cees-Jan, "dat doet zeer." Gellukig was zijn brilletje nog heel. "Een geluk," dacht Cees-jan, "bij een ongeluk."
Goedgeluimd klom het zonnetje boven de horizon. Gelukkig, er waren weer geen wolken.

Hij had er geen idee van dat boven zijn hoofd appartement 508 bezig was te ontwaken. Voor het laatst. Opruimen luidde daar het devies. Iets dat in theorie misschien mogelijk was, maar wat de praktijk helaas niet toeliet, want zo'n zooi had zelfs de praktijk nog nooit gezien. Helaas moesten we om elf uur uit het appartement vertrokken zijn, dus tijd om schoon te maken was er ook helemaal niet.
Omdat de bus pas die avond zou vertrekken hadden we eigenlijk nog een appartement voor overdag nodig. Het appartement dat we huurden was slecht schoongemaakt. Maar ja, veel kostte het appartement dan ook niet. Sterker nog, bijna niks. Of zoals een, naar eigen zeggen, oud Surinaams spreekwoord het zo toepasselijk verwoord: Bonbonbon, zelfs de vieste borden glimmen in de zon.

Wat doe je op een dag als je niks wilt doen? Op het stand liggen natuurlijk. Sandor, Richard en Cees-Jan hadden op het strand een mooi stekkie gevonden. Tegenover hen lag een bloedmooie lucratief lonkende spaanse zonnegodin. Zwoel lachte ze door haar donkere zonnebril naar het hollandse trio. Met een grijns lachte het trio terug naar haar scheef zittende en daardoor nietsverhullende bikinibroekje. Iets dwong Cees-Jan zich om te draaien en op zijn rug te gaan liggen. Dit was voor hem het sein dat het tijd werd te vertrekken. Op de boulevard kocht hij een kaartspel met de toepasselijke naam "hot cards" (hete kaarten). "Voor op de terugweg," dacht Cees-Jan, "Laat ik mijn rechterhand nog maar eens wat dieper in mijn zak steken."

Het werd tijd de koffers in te pakken. Iedereen was druk bezig met beide handen de koffer in te pakken, behalve Cees-Jan natuurlijk, die hiervoor nog maar één hand vrij had. Om zeven uur kwam de bus met vier wielen voorgereden.

Maint stootte zijn vriend Dennis aan:"Hee, Dennis, ik weet ook nog een mop" "Oh, dat wordt lachen," dacht Dennis, die reeds ervaring had met de soms ronduit hilarische sinus/cosinus-moppen van zijn vriend. "Hee Dennis, wat is d'r krommer dan een banaan?" "Haha," dacht de gebrilde charmeur, en even later zei hij het ook luidop:"Haha!" "Hee, Dennis, weet je wat krommer is dan een banaan, een KROMKOMMER!!!!!!!!!!!!!!" Maint gierde het uit. "Ha," dacht Dennis, "aindelijk iets waar ik wêl overheen kân." "Hee Maint, wêêt je wat nôg krômmer is as een kromkômmer?" "Oei," dacht Maint, die nattigheid bevroedde, want nog krommer dan een kromkommer? Dat kon immers helemaal niet. "Hee, Maint, wêêt je wat het îs? Een kromkrômmer!!!!!!!!!!!!!!!!" "Hmm," dacht Maint bij zichzelf, en even later dacht hij het ook hardop.
"Hmm."

Hinko Rookmaaker

Bij ons begint de vakantie al in de bus!

Zijn naam was Daan. Daan had als chauffeur een vaste baan, maar had het imago van een gepelde banaan. Daan stotterde na elke opstapplaats, Assen, Meppel, Kallenkote, door de microfoon dat hij Daan heette en datdat een bus vier wielen heeft en een deur en een dak. In Assen stapte 1 persoon in, in Meppel twee en in Kallenkote was het helemaal klote. En dus reden we met z'n vijfen naar Harderwijk; ons kostelijk vermakend, samen met Daan, soms met de ventilator uit, soms met de ventilator aan. In Harderwijk stapte Sjaak, de tweede chauffeur, in. Sjaak had een dikke buik, die op en neer ging als hij lachte. Sjaak en zijn microfoon hadden het fijn met elkaar. "Dames en heren, straks komen we bij het Solmar-kantoor in Eindhoven. In dat kantoor is een deur en door die deur kunt u naar binnen. Tenminste als u hem eerst open doet, anders geeft het zo'n rotzooi". Hahaha. Schuddebuik. Op de bril van Tjeerd zag ik acne ontstaan. 

Bij het Solmar-kantoor moesten we overstappen naar een andere bus. Het kantoor lag ver in een Eindhovense buitenwijk en was gevestigd in een oude kleuterschool. Likje verf erover, uithangbordje derbij, klaar. De speelplaats deed dienst als verzamelplaats voor de bussen. De chauffeurs droegen felgekleurde stropdassen met daarop palmbomen, stranden en enkele schaarsgeklede dames. Zij hielden hun sigaretten vast, duim en wijsvinger, alsof deze zeer heet waren. Iedereen bij Solmar had een dun zwart snorretje. De passagiers droegen een paars met fluorescerend geel trainingspak van de HEMA. Enkele vrouwen hadden krulspelden in het haar. In het kantoor moesten wij onze tickets nog ophalen. Het zag er gezellig uit. Kent u de sfeer in een willekeurige bowlinghal op zaterdagavond op een industrieterrein in laten we zeggen Almere? Nou dat idee. Terwijl wij ernstig ons best deden een gezicht te trekken dat wij hier niet bij hoorden, persten wij ons tussen de om kolossale penzen heengespannen pitbullsmokings richting de balie. Bianca S. moesten wij hebben. De baliemeisjes hadden allemaal een bijbaantje als medewerkster aan een longitudinaal onderzoek naar de duurzaamheid van zonnebanken. Aan de geroosterde koppen te zien gaan die dingen behoorlijk lang mee. Bianca S. begreep er niets van. Terwijl ze voortdurend werd onderbroken door paniekerende bejaarden "juffrouw, moeten wij ons hier melden?" zocht ze in allerlei stoffige papieren. Onderwijl poogde ik mijn positie vooraan de balie te behouden, maar enkele bijzonder vitale vijftigers persten mij, veel wit in de ogen, naar achteren. Ik schreeuwde nog naar Bianca, maar die werd bedolven onder felgekleurd nylon en enkele ogenblikken later stonden wij weer tussen de palmboom-stropdassen op de peuterspeelplaats. 

Wij wilden weer naar binnen, immers zonder tickets geen busreis, maar er werd omgeroepen dat iedereen weer moest instappen, zodat de hele horde in een toestand van volstrekte paniek uit het gebouwtje stormde. Toen Tjeerd en ik weer bijkwamen, de schoenen uit onze mond haalden en onze kromme brillen weer opzetten, was het gebouwtje op enkele achtergebleven kunstgebitten en geplette bejaarden na, leeg. Iedereen zat met rood aangelopen hoofden in de bussen te wachten op hetgeen komen zou. Toen wij nog enigszins verdwaasd eveneens aanstalten maakten in onze bus te stappen, boog een onmiskenbare prins carnaval met een te gekke snor zich naar ons toe en tetterde: ZIJN WIJ DE FAMILIE VAN DER HEIDE?? Ehhh, stotterden wij. De snor zag dit als bevestiging en brulde: INSTAPPEN!! BUS 13! Nog net konden wij onze tassen pakken en struikelend over onze veters werden wij door prins carnaval de bus ingeschreeuwd. BUS 13 STAAT DAAR. BAGAGE HIER. DIT IS DE DEUR. GOEIE REIISSS. Zijn buik werd door z'n broek als een push-up bra tot ongekende proporties opgeperst. Een knoopje sprong van zijn overhemd. De bus reed weg. Het voltallige personeel van Solmar ging zwaaien en wat erger was, onze medepassagiers zwaaiden terug. 

Toen de bus de straat op reed zag ik nog net hoe de Solmannen en -vrouwen samenzweerderig naar binnen gingen en het uithangbord "Solmar Tours" door een felrode met de neontekst "Club Privé" vervingen. Bij Nederweert begon een stel schuin voor ons hutspot uit coolstorers te eten. Het vrouwelijk deel van twee achter elkaar zittende echtparen converseerde tussen Maastricht en Luik over de krachtige werking van vernieuwde Dato. Een interessante discussie. Want wit moet immers wit blijven! Een overduidelijk aan het een en ander verslaafde moeder liet om er af te zijn haar zoontje 300 keer over het gangpad sprinten. Chantal, het meisje aan boord van de catering, verspreidde bij het passeren van de Franse grens enkele tientallen Privé's. Dat was een schot in de roos. Haar klantjes waren voor enkele uren zoet. Geroezemoes steeg op toen men pagina 17 opensloeg: "Anita Witzier houdt niet van spinazie". Chantal was trouwens een groot licht. Toen wij onze twee kopjes soep af wilden rekenen (à 1,50) rekende zij dit uit op haar zakjapanner. Catering is namelijk efficiency. 

Ondertussen verveelden wij ons de haren onder onze oksels vandaan. Het heerlijke vakantiegevoel dat dit soort reizen snel doet verlopen ontbrak, omdat wij ons niet in het buitenland bevonden maar in een rijdende Hollandse enclave met 56 ingeblikte Neanderthalers, geurend naar zwetende bilspleten en sokken van twee dagen. Via bingo "Nummertje 69, dames en heren, een heel goed nummertje" en de video "verzamelde werken van Goede Tijden Slechte Tijden" voorafgegaan door een opname van de bevalling van de vrouw van Daan (naast Tjeerd begon het raam hevig te beslaan) bereikten wij de nacht waarna we om vijf uur door stoephoer Guus Meeuwis werden gewekt. Met een kathedraal van een kater hoorden wij Daan reutelen van "goeiemomorgen, hames en deren, hebt u een beetje goed geslapen, ik wel, het was een beetje donker, maar ja". Toen Daan naar boven kwam om uit te rusten vroeg hij aan ons, toen wij onze benen op de stoelen voor ons legden, of wij dit thuis ook deden. Nee, wij hebben thuis geen bus, straften wij hem voor 1600 km stompzinnigheid. 

Vlak voor de stopplaats Malgrat naderden wij het hoogtepunt van de reis. Door de buitenwijken van een Spaans dorp reden wij via een onverharde weg langs geblakerde fabrieken plotseling een luxueus grindpad op. Dit grindpad eindigde bij een kasteel met een groot uithangbord waarop "Medieval Castle" stond. Het kasteel was aan de buitenkant van playmobil gemaakt. Aan de binnenkant was een enorme ruimte gereserveerd waar ± 300 Nederlanders hun behoefte konden doen. In de Ridderzaal hingen echte schilderijen van strijdtonelen. Door onze ver over de ogen hangende wenkbrauwen dachten wij bij een van de ridders een Rolex om de pols te zien. In de grote zaal, de balzaal, was een bar gevestigd. De barman had de kleren aan van een Middeleeuwse schildknaap. Boven zijn hoofd hingen biljartlampen, die geenszins niet misstonden in het Medieval Castle. Toen wij terug naar onze bus liepen, zagen wij in de Ridderzaal een harnas staan met enkele zwaarden en steekmessen. Aan het handvat van een van deze messen hing een kaartje "Made bij Herke van der Heide. Net sprekke mar stekke BV, Zwaagwesteinde". Terwijl men in de bus nog bewonderend sprak over het Medieval Castle reden wij Malgrat binnen. Malgrat was compleet verlaten. 1600 km van huis en de eerste auto die we tegenkwamen had "Century Groningen" op de zijkant. 1600 km van huis en de eerste persoon die we zien in Malgrat is een breed grijnzende Fries die bij wijze van groet meteen in zijn kruis graaide. Vakantie in Spanje. Toen ik uitstapte, trapte ik in een hondedrol. 

Jabik-Jan Bastiaans

Wielrenners in de disco

Malgrat de Mar. Iedere Hollander ziet direct dat dit meer is dan een geschikte lokatie voor uitstapjes per fiets. Een plaats die ...- de Mar heet ligt meestal vlakbij zee, in Spanje betekent dat dat de disco's niet ver kunnen zijn. Voor een enkele fiets- of Vogezen-fanaat is dit misschien een schok: "wielrenners in de disco!?", maar het merendeel van de reizigers ervoer het uitgaansleven als een welko-me gelegenheid om 's nachts nog even wat bij te trainen. Vooral tijdens de weekends bleken de disco's - ik schat dat er toch minstens tien in de buurt waren, de Tanzkeller (met Stalingrad-portier) niet meegerekend - goed gevuld. Doordeweeks vereiste het toch enige inspanning een gezellig oord te vinden. Ofwel was de tent leeg, ofwel was ze volgepropt met 17-jarige Duitse voetballertjes. De hele Spaanse kust was trouwens verziekt van de Duitse voetballers, maar is dit niet inmiddels het geval met de gehele planeet? Overdag ontsierden in vrolijke trainingspakken gehulde, vriendelijk om zich heen kijkende bejaarden en voetbalteams de boulevard. 's Nachts toonden unsere Freunde zich van een andere kant. Weliswaar supercool om zich heen kijkend in hun megageile skateoutfits zorgden de meesten van hen er toch voor niet te dicht bij de dansvloer te komen. Slechts hoge alcoholpromillages konden daar enige verandering in brengen.

Na de eerste frustraties van me afgeschreven te hebben kan ik u misschien een aanvang nemen met wat objectievere beschrijvingen. Naast het oude stadshart bestaat Malgrat vooral uit een lange toeristische boulevard. Waar normaal een boulevard vlak langs de zee loopt, liep deze vooral vlak langs de spoorlijn. Op deze boulevard, en eventueel in enkele zijstraatjes speelt zich het nachtleven af.

Een goede nacht begint toch wel in de Splash, waar het bier goed is. En het goedkoopst. De Splash is een altijd stampvolle kroeg, stampvol met Spanjaarden. Onze groep viel echter vooral op de grote alcoholconsumptie, wat de lol niet mocht drukken. Schuin tegenover de Splash lag de "Allochtonendisco". Bedoeld werd "autochtonendisco", maar elke niet-Nederlander is voor de Nederlander blijkbaar per definitie allochtoon. De allochtonen-discjockey was steengoed, het bier betaalbaar, slechts het uitsmijtbeleid blijft een raadsel. (Eindelijk, anekdote nr. 1). Nadat Robert even vrolijk met een Spaanse had gedanst, kwam er een boze Spanjaard op hem toe. Ondanks de pratende kut op z'n gezicht ging praten hem moeilijk af. Veel verder dan een soort basta-gebaar kwam hij niet, daarna bleef hij boos kijkend, dreigend naast ons staan. Praten met hem kon natuurlijk niet, de gemiddelde Spanjaard, waar deze pipo nog ver onder zat, hoort immers het verschil tussen Engels en Swahili niet. Een paar minuten later kwam een andere Spanjaard, deze was wel langer dan 1½ meter, op Vincent af. Druk wijzend op zijn T-shirt, waarop waarschijnlijk stond dat hij security was, maakte Vincent duidelijk toch vooral op te rotten. Klaar om zonodig varkensgehakt te maken van deze Spanjaard zonder opleiding, volgden wij allen Vincent naar buiten. Er hoefde niet gevochten te worden, we kwamen er zo ook wel uit. Om nooit meer terug te keren in dit soms toch wel gezellige hol.

Een avond werd meestal voortgezet in QK (spreek uit: koeka) of Don Juan. De QK zit vol Duitsers, dus plaats genoeg op de dansvloer. De muziek was er goed te pruimen. Biertjes waren voor 400 ptas aan de bar te verkrijgen (is ± 6 piek). Het interessante-dame-percentage van de QK was zeer laag en iedere avond moest weer naar dezelfde paar meisjes gekeken worden. Ook hun gemiddelde leeftijd was aan de lage kant. Voor ondergetekende, als Benjamin van de groep, geen probleem ("Alles onder 20 is voor mij!"), maar de rest had er toch meer problemen mee.
Tegenhanger van de QK, en daarom een fijne kilometer lopen verderop aan het andere uiteinde van de boulevard, was de Don Juan. De muziek in Don Juan was rete-commercieel en dus behoorlijk lekker. Ook al kwam er doordeweeks geen hond in Don Juan, spektakel was er wel. Op een avond zat onze zwaar bezopen sectie Friesland (Jabik, Haitze, Steffen, Bert) hier te balen dat ze 14 piek p.p. hadden betaald om binnen te komen en vervolgens ook bijna de enigen bleken die binnen waren. Als ware Hollanders probeerden ze toch waar voor hun geld te krijgen. Jabik, geblesseerd aan een voet, hinkelde de dansvloer op, waar hij plat op z'n bek viel. Security was direct paraat om hem te vertellen zich normaal te gedragen. Uiteraard zonder resultaat. Zelfs een spel als tikkertje werd door onze vriendjes niet te kinderachtig bevonden. Na de zoveelste debiliteit kwam een volgende security Steffen vertellen dat ook hij zich wel wat normaler mocht gedragen. Steffen bleef ondertussen rustig doorgaan gekke bekken naar deze toch zo vriendelijke man te trekken. Uiteindelijk werd de afdeling Friesland vriendelijk verzocht het pand te verlaten. "Ik word zo moe van jullie", zei de Nederlandse uitsmijter nog. "Dan moast op bed goan leggen" gaf Jabik hem nog een vriendelijk advies. Honderd meter verderop brandde hij pas helemaal los. "Fuck you, motherfucker", klonk het in gebroken Engels richting uitsmijters, "tomorrow we come back with twenty people, we're gonna kick your ass!". Tuurlijk, Jabik.

De naam Don Juan en de hier en daar opduikende verwijzingen naar het vrouwvolk roepen wellicht de vraag op of op dit gebied nog iets is gepresteerd. Ook hier over zijn uiteraard enige anekdotes te melden. Zo toonde op de tweede avond onze vrolijke hockeyer Roald Wallage een grote interesse in een voor Spaanse begrippen zeer lange dame. Samen met mijn persoontje was Roald de lengte van de Spaanse nachten aan het testen. Bij ons vertrek was Roald z'n blauwe sweater kwijt. Mr. Macho zag z'n kans schoon om "haar" aan te spreken. In z'n beste Spaans probeerde hij z'n probleem duidelijk te maken. Helaas zonder veel resultaat, zodat ik na tien minuten besloot in gebarentaal en Engels het probleem duidelijk te maken, wat direct werkte - sorry Roald. Gek genoeg hielpen ze nog met zoeken ook. Of ze ook even bij de bar en de portier in het Spaans konden vragen of er een trui was gevonden. "Venga" - kom mee! Uiteindelijk bij de portier gevraagd (die gewoon Nederlands was, maar dat was niet belangrijk), en jawel, de trui was weer terug. Oef! En, surprise, Roald had de Spaanse en haar knappe vriendin nog zo gek gekregen tegelijk met ons naar buiten te gaan. Daar ging het spel pas echt op de wagen; in z'n beste Spaans probeerde Roald indruk te maken. Tot in details vertelde hij dat wij wielrenners waren en hoe goed we waren, enzovoort. Toch kozen de dames vrij snel voor hun hotel. Volgende keer meer geluk.
Een ander voorval betreft de enige man uit het gezelschap die de titel macho mag dragen, Sandor. In het casino van Lloret zat hij, naar eigen zeggen, naast een bloedmooie ("Zoals Sabatini, maar met een beter lichaam") 18-jarige Italiaanse. Tijdens het blackjacken flikflooide hij er vrolijk op los. Hoe naïef. Eenieder doorziet hier de truc van het casino om deze onschuldige Sallander toch vooral aan het spelen te houden. Zoals meestal bij Sandor liep het uiteindelijk op niets uit ("Soms win je, soms verlies je"). Later die week had hij een zeer gewilde dame uit de Splash mee naar Don Juan weten te krijgen. Helaas was Sandor niet het enige geïnteresseerde en halfdronken Tandje dat z'n kans schoon zag. Na lange tijd bleek Gerwin het net iets beter gedaan te hebben, getuige het "We go someplace else" dat uit zijn mond klonk. Naar eigen zeggen werd hij op haar kamer langzaam nuchter genoeg om zich te herinneren dat hij al een vriendin had. Gelukkig was er niets gebeurd, toch?

Een gebeurtenis op de laatste avond valt mij persoonlijk zeer zwaar. Het allerknapste meisje uit de Splash bleef steeds maar terugkomen richting Marco of mij. Voor wie ze was, was nog niet duidelijk en zou door een tactische ingreep van Robert, die toch al getrouwd is (frustratie?), nooit duidelijk worden. Hij haalde het in z'n kop om tegen het enige Engelssprekende Spaanse meisje in Malgrat te zeggen dat we haar een cijfer gingen geven. Nooit hebben we haar weer teruggezien. Dank u.

Dit zijn voorvallen op dit gebied die me te binnen schieten. Als ik iemands fantastische versiertrucs ben vergeten, mijn oprechte excuses. Volgende Verzetje misschien? Terugblikkend kan in ieder geval geconcludeerd worden dat de Tandjes in Spanje keurig de nul hebben weten te houden. Dit heeft zeker met een kritische opstelling van onze kant te maken. Want wie enkel het doel heeft "n'importe qui" te scoren zit in Malgrat goed. Oke, misschien voldoet de gemiddelde Spaanse (1 m 55, zwart haar, beetje dik) niet helemaal aan het Hollandse ideaal (1 m 75, blond, slank en wel knap), ze tonen tenminste wel veel interesse in buitenlandse Romeo's. Zelfs voor de grootste loser moet er wel wat te halen zijn. Dus volgend jaar weer? 

Hinko Rookmaaker

Héél duidelijk

"Maar dan kent ge Museeuw niet!", sprak Johan met het hem zo kenmerkende hoge stemgeluid, waarop hij een zakje wit poeder tevoorschijn toverde. Want de eigenzinnige West-Vlaming weigerde zich te conformeren aan de sponsortrouw van zijn Mapei-ploeggenoten, die allen zweren bij lijmsnuiven. Daarmee was de trend gezet voor het trainingskamp van de Mapei-ploeg in het drukbezochte Surinaamse trainingsoord in het rustiek gelegen plaatsje Paramaribo a/d Zambesi.
De reis met Suriname Airlines verliep voorspoedig: "Dames en Heren, hier volgen twee mededelingen van de gezagvoerder. De eerste mededeling betreft de hardnekkige geruchten die de ronde gaan over de linkervleugel die zou zijn afgebroken. Dit is niet juist. Er is geen reden tot paniek. Daarnaast willen we de passagiers verzoeken zoveel mogelijk aan de rechterzijde van het toestel plaats te nemen."
Gelukkig landde de Surinaamse Toepolev precies op tijd op Zambesi-airport. Want u kent het credo van de Suriname Airlines: "Onze vliegtuigen zijn altijd op tijd. Behalve als ze te laat komen." 

Aangekomen op Zambesi-airport kregen de mannen van Mapei uitgebreide informatie van een plaatselijk reisbureau over de bezienswaardigheden in en om Paramaribo a/d Zambesi, zoals de Zambesi-rivier die het Surinaamse landschap doorkruist en die volgens de onnavolgbare Surinaamse logica twee keer zo lang is omdat deze niet alleen van de bron naar de monding loopt maar ook terug. En natuurlijk over de uiterst zeldzame Zambesi-pinguin, die alleen voorkomt in gebieden kouder dan -10 graden Celsius. Maar het allerbelangrijkste was natuurlijk de informatie die men kreeg over de plaatselijke uitgaansgelegenheden. Want mocht u denken dat de Belgisch-Italiaanse equipe alleen naar Suriname kwam om te trainen, dan hebt u het goed mis.
En niet een klein beetje mis hè. Néé: Heel erg mis. Een beetje mis kan natuurlijk ook. Zo van, bijna goed, maar toch net mis. Maar nu niet hè. Nu is het zo mis, dat je bij wijze van spreken gewoon hartstikke aan het verkeerde eind zit.
Die Zanini bijvoorbeeld. Staat bekend om zijn roekeloze daalvermogen, sprintkwaliteiten en grote kin. Die bevestigde op één van de eerste avonden reeds de veel geopperde stelling dat mannen met grote kinnebakken een overtollige hoeveelheid mannelijk hormoon produceren, want deze viriele Italiaan verspilde die nacht veel, vermoedelijk beter voor andere doeleinden te gebruiken, energie door een volstrekt onbekende landgenote voor trampoline aan te zien. Het is maar goed dat God het klaarkomen heeft uitgevonden. Wist hij tenminste wanneer hij op kon houden met neuken. Nou U weer.
En dan die Tafi, Museeuw en vooral de guit van de Mapei-ploeg: Die Pavel Tonkov. Dat u niet denkt die Tonkov, dat zal wel een serieuze coureur zijn. Da's godverdomme hartstikke niet waar man. Even opletten! Het is malle Pietje niet! Die gasten liepen al op de eerste avond zwaar in de olie over de boulevard van Paramaribo a/d Zambesi te zwalken, tegen de plaatselijke politie aan te pissen om uiteindelijk tot aan hun middel door de Zambesi-rivier te banjeren. En waren zijn niet bang een verkoudheid op te lopen?
Nee.

Want zoals de ook in Paramaribo a/d Zambesi zeer populaire muzikante Gala alomtegenwoordig over de boulevard schalde: "When they say silver I choose Gold, I'm not afraid to catch a cold".
En zo was het maar net.
En mocht u nu denken (want u bent van het denkende type) die Mapei ploeg, dat zijn een stel bijeengeraapte miljonairs die elkaar alleen niet op de bek slaan omdat ze dezelfde sponsor op hun shirt hebben, dan slaat U wederom een misse plank. Het zijn een stel guiten bij elkaar. Zoals vorig jaar, tijdens Parijs-Roubaix. Hier en daar werd geopperd dat de heren Tafi, Museeuw en Bortolami onderweg besloten wie de koers zou winnen en dat daarover ruzie ontstond. Mag ik even lachen. Haha. Allerminst, zeg ik U. Museeuw vroeg gewoon aan Bortolami: "Hé, Wortelbami, (die guiten hebben voor elkaar de meest allerkostelijk geinige bijnamen bedacht) heb je het al gehoord? Joske Verstappen gaat meedoen aan Wedden Dat." "Wat dan?", sprak Wortelbami de legendarische woorden, terwijl een voorbijrijdende motor een bord toonde met de tekst "3'45". "Nou", giechelde Johan, "hij gaat proberen circuits te herkennen door naar het geluid van het grind te luisteren."
Die Johan.
Maar Tafi en Wortelbami, de verzamelde intelligentia van het wielerpeloton, snapten hem niet en gingen met elkaar in discussie over de clou van het grapje. Museeuw kwaad natuurlijk. Heeft-ie al zo'n dom stemmetje, snappen ze z'n grapjes ook nog geeneens.
Maar dat is nog niet het einde van het verhaal. Pakt U de zakdoek er maar bij. In de ploegleiderswagen van Mapei (wie kent het verhaal niet) belde Squinzi, de baas van de firma, mobiel met Lefèvere.
"Ik ken nog een mop", zei Squinzi. Nou, dacht Patrick, ik zit hier midden in een koers kan het morgen ook, maar hij zei: "Vertel, vertel!"
"Nou", zegt Squinzi, "Ikkeeh, ik had laatst een meisje. Enneeh, die had ik toen mee naar huis genomen. Enneeh, toen waren we bij mij thuis en toen zei ik: Ja, wat wilde nou eigenlijk? En toen zei zij dat ze eigenlijk nogal aan de SM was. Nou, zei ik, da's goed, heb ik haar op het bed vastgebonden en ben ik gezellig gaan stappen met een paar vrienden." Lefèvere lachen natuurlijk, want zoals een oud Surinaams spreekwoord zegt: Wiens brood men eet, heeft waarschijnlijk te maken met een bakker.
Dus zo zit dat.

Over Tafi gesproken, mensen vragen mij wel eens in wat voor kleur ik mijn komkommers het liefst gesneden heb. Ook heeft men mij wel eens gevraagd waarom die Tafi op zijn fiets zit gelijk een stier die een koe berijdt. Dat verhaal gaat als volgt. Toen Tafi nog niet een vaste klant was geworden van de Verenigde Italiaanse Apothekers, vervulde hij slechts een knechtenrol. Zijn belangrijkste functie was het warmhouden van om het even welke zitplaats van kopman Museeuw. Het toeval wil namelijk, dat de afstelling van de fiets van Museeuw exact overeenkomt met die van Tafi. Derhalve reed Tafi in de koersen mee, op de reservefiets van Museeuw, zodat Johan na een lekke band op een lekker warm zadel plaats kon nemen. En natuurlijk kweette Tafi zich uitstekend van zijn taak. Wanneer Museeuw even op de rollerbank in wilde fietsen nam Tafi alvast een kwartiertje van tevoren plaats, ging Museeuw naar bed, Tafi lag erin. Museeuw naar het toilet, Tafi zat erop. En geen half werk hè, zo'n beetje halfzacht met één bil (dat zie je amateurs nog wel eens doen), Tafi zat met alles dattie had op de pleebril. En niet alleen zitten. Ook wrijven natuurlijk. Heen en weer. Niet draaien! Alleen heen en weer. En dat doet Tafi nou nog steeds. Niet gewoon zitten op die fiets. Nee. Wrijven over dat zadel. En nooit uit het zadel komen! Daarmee help je zo een uurtje wrijven naar de verdommenis. Blijven zitten en wrijven.
Op trainingskamp was dat precies zo. Als Tafi naar het toilet was geweest moest de pleebril eerst eeen uurtje afkoelen. Behalve natuurlijk als hij weer eens had staan kotsen, dat kwam nogal eens voor (U begrijpt dat dit een zorgvoldig geconstrueerde overgang is naar de belevenissen van de Mapei-jongens op het trainingskamp). Want indrinken, dat deden de jongens veel in Paramaribo a/d Zambesi. Fietsen ook wel, maar minder. Hoewel dat onderling nogal verschilde. Vooral de jongere aankomende garde trainde zich te barste. Jongens als Frank Vandenbroucke en Daniele Nardello (een angel face van het dusdanig erge soort dat hij ervan verdacht wordt nog geposeerd te hebben voor het schilderij met het huilende zigeunerjongetje) hadden vaak reeds enkele honderden kilometers getraind als Museeuw, Tafi, Tonkov, Zanini (eiwittekort) en ook Bugno met brakke koppen uit hun nest rolden. Johan riep dan naar beneden (wanneer hij niet hoefde te braken) "Hé Broek, gaat ge weer trènen", waarop Vandenbroucke met een net zo kenmerkend stemgeluid terugriep: "We hebben al getrèènd: handjes op het stuur, zestig in het uur". 
Aha, een extensief duurtraininkje, dacht Johan dan en krabde nog eens aan zijn zak.
Wanneer Broek en consorten juist terugkwamen van hun derde training die dag (zo halverwege de middag), hesen de ouwe jongens van Mapei zich in hun, elke dag iets krapper wordende, racetenue, voor een rustige training. Enkele kilometers naar het Zambesistrand en 's avonds enkele kilometers terug. Dat de jongens daarbij als oude vaatdoeken over de weg gingen deerde hen niet. De grote Surinaamse wielrenner Winston Klapperboot zei het al eens mooi, na weer een mislukte koers: Beter fietsen als een krant, dan je schoenen vol met zand! 
Tijdens de ritjes naar en van het strand raakte men steevast de weg kwijt. Zo ook deze dag, toen Zanini zonder enige kennis van zaken de groep de volstrekt verkeerde kant had opgestuurd. Turend op de kaart kwam een grootbeneusde en onmiskenbare Nederlander, kauwgomkauwend, zijn hulp aanbieden: 

"Kijk, dattinattuullijk heel simpel. Punt één is, dat je nattuullijk links ken gaan, zoas je natuullijk ook rechts ken gaan. Dat weet je. Verhaal twee is, dat dat twee dingen zijn die je heel duidelijk moet scheiden. Da's logisch. En wat zie je dan? Altijd weer die strijd. En op zo'n moment zie je dus mannen die wat meer kunnen brengen. Noem het gevoel, noem het intuïtie, noem het wat meer zien as een ander."
Gelukkig kon Museeuw wel kaartlezen. 

Maar op de avond na de zwaarste trainingsrit, door sommige Mapei-jongens ook wel schertsend "koninginnerit" genoemd, veranderde er iets in de instelling van de meest fanatieke trainingsbeesten. Zoals gebruikelijk stonden onze helden, aangevuld met de immer breed grijnzende Wilfried Peeters (Ook wel olijk "dr. feelgood" genoemd vanwege de psychostimulantia die deze vrolijke Belg met koffers tegelijk naar binnen pleegt te werken), op het balkon van hun appartement zichzelf gereed te maken voor weer een avondje ranzigheid. Zo overtuigden Tafi en Museeuw zichzelf ervan dat hun gele lichaamssappen, wanneer gedeponeerd vanaf de vijfde verdieping, inderdaad onder invloed van de zwaartekracht klaterend op het trottoir, of op de hoofden van nietsvermoedende passanten, uiteenspat. Ook vermaakte men zich kostelijk met hetzij het uitschelden van, hetzij oneerbare voorstellen doen aan willekeurige voorbijgangers. De lezer begrijpt dat het laatste een significante (maar niet relevante!) correlatie vertoont met het geslacht van de betreffende passant.
Maar nu terzake. Na de plaatselijke Mitra op de rand van het financiële jaar toch nog aan een positief saldo te hebben geholpen, begaf de Mapei-ploeg zich in het nachtleven van Paramaribo a/d Zambesi. Uitgerust met een laatste, nog net niet geleegde fles wijn en enkele volle glazen whisky maakte de ploeg een feestelijke indruk.
Nu was het die avond extra feestelijk in Paramaribo a/d Zambesi. Wat was namelijk het geval, het jaarlijkse Drum 'n Buis Festival! Drum 'n Buis is een sterk aan het westerse Drum 'n Bass verwante muzieksoort met het verschil dat men bij Drum 'n Buis alleen buizen gebruikt. De bedoeling is, volgens oude Surinaamse traditie, dat iedereen zo hard mogelijk op willekeurig welke buis slaat. Maar let op! Het materiaal dient ten allen tijde intact te blijven! Want zoals een oud Surinaams spreekwoord zegt: Als je een kuil graaft voor een ander, ga je moe worden.
Het Drum 'n Buis Festival gaat gepaard met het jaarlijkse Zambesi-zwemmen. Dan springt gans de bevolking van Paramaribo a/d Zambesi in de Zambesi-rivier (vlakbij de monding), om vervolgens helemaal naar de bron te zwemmen. Nu is het zo dat er nogal wat vissen in de rivier bivakkeren, die ook wel eens wat anders lusten dan altijd weer die autodrop. Komkommer bijvoorbeeld. Maar ook Zambesizwemmers zijn favoriet. Gelukkig zijn alle vissen, volgens de oude Surinaamse legende, op de dag van het Drum 'n Buis Festival op vakantie. Nu wil het wel eens voorkomen dat de vissen zich van datum vergissen en dan (zoals vaste commentator Nordin Nederwiet van Surinaamse Sport in Beeld het zo mooi zegt) "staat het hek op de dam!"
Gelukkig leek het deze avond allemaal goed te komen. De jongens van Mapei probeerden vrolijk tussen de plaatselijke bevolking hun evenwicht te bewaren (Surinaamse Beerenburg!) toen ploegleider Lefèvere een lumineus idee kreeg: de Mapei-ploeg ging deelnemen! De publiciteit zou enorm zijn en de sponsor tevreden, want de afzetmarkt voor lijm is erg groot in Zuid-Amerika zoals U weet. Bugno werd onmiddellijk als kopman naar voren geschoven. Immers deze veteraan had uit aerodynamische overwegingen het Mapei-shirt op zijn borst laten tatoëren (waardoor hij dus ook al enkele malen in zijn getatoeërde shirtje in de dicotheek had gestaan, hetgeen weinig succesvol was) zodat hij, slechts uitgedost met een minuscuul zwembroekje, de nodige publiciteit kon maken. 
De plaatselijke favoriet, Kiki Klapperveen, tekende hiertegen echter protest aan. Hij vreesde dat het toelaten van profploegen de authenticiteit van het evenement zou aantasten. Of zoals hij het zelf zo mooi verwoordde met het accent dat we zo goed kennen van de gebieden rond Paramaribo a/d Zambesi: "Als één schaap over de dam is, kun je zoeken!"
Maar de jury was niet te vermurven. Mapei ging zwemmen! Maar Kiki was ontevreden en gooide zijn taktiek over een andere boeg. Bugno werd hevig geïntimideerd: "Wij gaan jou afmaken als een Jantje van Leiden", en later werd Gianni zelfs bedreigd: "Ik ga je net zolang dood vermoorden tot je niet meer beweegt en als dat niet lukt dan weet ik waar je huis woont!" Even later werd zelfs de daad bij het woord gevoegd. Wilfried Peeters, die Gianni vergezelde, was net even bezig een hand vol amfetamine naar binnen te werken omdat hij weinig vertrouwen had in deze Zambesi etappe ("Dr. Feelgood" is goed wanneer het water vlak is, maar zo gauw er enig reliëf is te zien zakt de moed hem in de schoenen want Wilfried komt geen golf over) toen Gianni door Kiki en enkele metgezellen werd geschopt en geslagen. Een dikke knie en een kromme neus was het gevolg.
Gianni was als kopman "out".

De Mapei-jongens waren furieus. Zelden was de saamhorigheid groter. Allemaal waren ze erop gebrand als eerste bij de bron te arriveren. De hele ploeg verkoos te starten vanaf de oever. Het was namelijk ook mogelijk te starten vanaf de Zambesi-duikplank maar in de bedding onder de plank ontstaat vlak na de start traditioneel een enorme hoop mensen, omdat de rivier onder de duikplank droog staat. Elk jaar wordt hier als voorzorg een bord met de tekst "Belangrijk: niet van de plank afspringen als de rivier droogstaat!", maar enkele onverlaten zetten dat bord traditioneel op zijn kop, met alle rampzalige gevolgen vandien.
Maar de Mapei-ploeg, taktisch sterk als ze waren, hadden hiervan geen last. Bovendien konden ze enkele duizenden plaatsen opschuiven toen de speaker omriep: "Belangrijk: Niet in de rivier zwemmen als U niet kunt zwemmen!", waarna het halve deelnemersveld onder de tekst "Dat hadden ze ook wel wat eerder kunnen zeggen" afdroop.
Klokslag twaalf uur (centraal Paramaribo a/d Zambesische tijd) was het zover: het startschot klonk. Het voltallige deelnemersveld koerste richting bron, behalve Tafi die de opdracht niet had begrepen en vanuit de start bij de monding het ruime sop van de Atlantische Oceaan koos. De commentatoren van Surinaamse Sport in Beeld zagen nog net de donkere kruin van Andrea achter een golf verdwijnen hetgeen Nordin Nederwiet (die altijd de reportages over het Surinaamse wielrennen verzorgt en weet waarover hij praat) de uitspraak deed ontlokken dat de uitgestrektheid van de Oceaan wel goed past bij de kwaliteiten van Tafi.
Al direkt na de start zaten de mannen van Mapei voorin. Na enkele kilometers kwam er het nodige reliëf in het parkoers waardoor zoals verwacht Wilfried Peeters werd gelost. Even verderop volgde een lastige passage met de stroom schuin op kop, zodat in waaiers werd gezwommen. De Surinaamse zwemmers die in de passage met de steile golven enige voorsprong hadden gepakt werden hier vlot in de kraag gegrepen door een sterke waaier met daarin veel Mapei-mannen, zoals Museeuw, Tonkov, Vandenbroucke en de lange maar altijd wat stuurs kijkende Noord-Italiaan Valentino Fois, die immer met een zeer klein slagje zwemt. Vandenbroucke raakte al snel geïrriteerd, omdat zijn zwemtempo voortdurend onder de zestig in het uur lag. En zijn handjes kon hij ook al niet op het stuur leggen. Bovendien waren zijn knielange Bermuda en sportschoenen niet de ideale uitrusting voor deze etappe, zodat de Broek er al spoedig de brui aan gaf.
Ondertussen gaf Nordin Nederwiet deskundig commentaar op de verwikkelingen, bijgestaan door een grootbeneusde, kauwgomkauwende co-commentator. 
"Een aantal mannen zitten momenteel goed en een aantal slecht. Hoe zie jij dat". "Kijk, dattinatuullijk heel simpel. Twee dingen moet je goed scheiden. Boven water. Verhaal twee is natuurlijk onder water. Da's logisch. Sommigen voelen nu natuullijk nattigheid, da's duidelijk. En nattigheid voel je natuullijk voornamelijk onder water. Ook dat weet je."
In de koers kwam inmiddels enige aftekening. Een sterke groep kwam voorop. Kiki Klapperveen was present, Desi Duisterwinkel, Pavel Tonkov en natuurlijk Johan Museeuw. Valentino Fois had moeten afhaken met een lekke zwembroek. Enige nervositeit maakte zich meester van de kopgroep, want de bron naderde. De lastigste passage moest echter nog komen: de visser.
Menig zwemmer heeft zich in de visser, of beter gezegd in het aas van de visser, verslikt. Elk jaar ligt er traditiegetrouw een enorme hoop zwemmers naast de visser.
Maar Johan had, leep als hij was, een routekaartje in zijn zwembroek gestopt en had al lang in de gaten dat de visser op de loer lag. Uitermate sluw dirigeerde hij Tonkov op kop, rechts van de rivier. Omdat de stroom van rechts kwam, moesten Desi Duisterwinkel en Kiki Klapperveen links van Museeuw en Tonkov zwemmen om uit de stroom te zitten. Laat daar nou net de dobber van de visser liggen!

Binnen een ommezien lagen Klapperveen en Duisterwinkel op de oever te spartelen. De beide mannen van Mapei hadden de weg vrij om als eerste niet-Surinamers de bron te bereiken. Even voor de bron spraken ze nog even met elkaar ("nat hè, dat water") waarna Museeuw (zonder tegengespartel van Tonkov) als eerste, onder een donderend buisgeroffel, de bron bereikte. 

"Kijk, dattinatuullijk heel simpel. Je ken natuullijk winne, zoas je natuullijk ook ken vellieze. Da's logisch. Maar dat moet je heel duidelijk scheiden. Want dit is natuullijk heel goed doorgezet van die Museeuw. Want omdat as hij links gaat, kenne hun natuullijk niet rechts. Dan souden ze van positie moeten wisselen. Want dan gaat hij rechts en hun zijn het wie bepalen wie er gaat. En dan natuullijk dat gat in.
Heel duidelijk."

Jabik-Jan Bastiaans

Afstekend Werk

Eind Februari, goeie ouwe tijd want toen liep ik nog stage bij Wieler Revue, vroeg Evert de Rooy of ik er oren naar had om een weekend op de wielerbeurs Expo Velo te gaan staan. Mede omdat er een overnachting in één van de duurste hotels in Brussel aan vast zat, was de keuze snel gemaakt. Het gaf mij ook de gelegenheid om met een goede wielervriend in België af te spreken. Toen hij hoorde dat ik op de Expo Velo was, kwam hij ook langs en nadat ik hem een abonnement op WielerRevue had aangesmeerd (je kunt wielrenners nooit vertrouwen; ze naaien zelfs hun beste vrienden), gingen we eens lekker uit eten aan de voet van het Atomium. Daar is een park met allerlei allochtone eetgelegenheden. in een straal van 100 meter vind je een Griek, Turk, Spanjaard, Italiaan, Vlaming, etc. Alleen de Waal en de Fries ontbraken. Logisch ook, want je wil toch lekker eten, nietwaar?

Luc, zo heet de vriend in kwestie, had een interessant voorstel. Of Petra en ik zin hadden om de Ronde van Vlaanderen te komen bekijken. We zouden dan, zoals zoveel Vlamingen, het parcours diverse keren gaan afsnijden en proberen het spektakel zo vaak mogelijk te zien. Dat is de sport ervan. En dus gingen we begin april naar Gent toe.

Omdat we met vijf personen gingen rijden, moest er gigantisch worden ingekocht. Nu eten Belgen sowieso veel junkfood, maar deze hoeveelheid snickers, twixen, kaiserbolletjes, cola en ander snoepgoed, ging iedere voorstelling te boven. ´s Avonds moest vervolgens een plan-de-campagne worden gemaakt: waar wilden de renners zien? Met vier detailkaarten en de route op tafel moesten een aantal afwegingen worden gemaakt. Wil je op twee, drie hele fraaie plaatsen staan of op acht, negen iets mindere? En een bijkomend probleem voor Luc was, dat de Ronde niet meer over het oude parcours ging, waardoor enkele ieder jaar bezochte punten moesten afvallen. De verwachtingen voor het wedstrijdverloop waren hooggespannen door de nieuwe route, maar voor ons als afstekers was het een ramp. De bergzone was van een fraaie, kronkelende route vroeger met veel afsteekmogelijkheden verworden tot een `Z´ geworden. Als je bedenkt dat van het ene uiterste van de Z naar het andere een vlakke weg langs de Schelde loopt, waar de renners continu 50 rijden, dan is het duidelijk dat ook wij enorm moesten haasten. Bovendien moesten wij bij een punt de auto eerst parkeren, dan gemiddeld een meter of driehonderd lopen cq. rennen, waarna de renners voorbijkwamen, waarop de sprint terug naar de auto begon en, eenmaal aan het rijden, ook het gestress om tijdig bij het volgende punt te wezen. En dat is soms echt zenuwenwerk! Vanaf de Kwaremont rijdt men in een ruk door naar Meerbeke en dat maakt het onmogelijk om de renners daartussenin twee keer te zien. Wij kiezen voor de Tenbossestraat in Brakel.

Het was die zondag ontzettend mooi weer in Vlaanderen en onze vrees dat dat zijn weerslag zou vinden in de drukte op de wegen klopte. Nog nooit had Luc zoveel mensen gezien die ook probeerden af te steken. Plaatsen waar hij andere jaren ruim de tijd had om te parkeren, waren nu al lang en breed bezet, zodat het stuk lopen nog wat langer werd dan voorzien. Daardoor duurde het echter ook weer langer om weg te raken op weg naar de volgende plaats. Kortom, de haast was de hele dag enorm. Hoewel we al om 8 uur richting Sint Niklaas gingen, was het voor we het wisten 5 uur ´s middags. Je hebt geen idee van tijd meer door al dat gevlieg.

De start was trouwens erg aardig. Op het grote plein vind elk jaar een show plaats met allerlei Vlaamse VIP´s, VVIP´s dus eigenlijk. Somers en Verschueren, twee daar erg bekende TV- personen, hielden de duizenden toeschouwers bezig met zinloos geklets, dat gelukkig af en toe werd onderbroken doordat een renner het startpodium opreed om het controleblad te tekenen. Omdat ook Eddy Planckaert af en toe wat commentaar gaf, was het wel leuk om te zien. Wij stonden te kijken op een plaats waar de renners het podium op reden en konden dus direct onze startlijst controleren. Een heel circus speelde zich af bij de ploegleidersauto´s, waar iedereen zich verdrong om te zien hoe Van Petegem een appel eet, Cipollini een sok aantrekt en Moncassin een mop tapt. En dan draait ineens een geel monster het plein op. Kijk nou eens, Once is ook weer eens van de partij. De afzichtelijk luxe bus doet de ploegleidersauto van Palmans verschrompelen tot een vuilniswagen. Ook Ferretti´s toch niet onaardige MG-bolide is niet meer dan een opgevoerde kever bij het zien van zoveel pracht en praal. Een half uur later speelt deze scène zich nog een in tweevoud af als de Mapei-bus het plein opdraait. Omdat elke Vlaming haast verplicht flauw valt bij het uitspreken van de naam Museeuw (we zagen zelfs enkele mensen de uitlaat van de Mapei-bus zoenen), is er sprake van een totale gekte. Het hele plein stroomt richting Mapei-bus, zodat we de gelegenheid hebben om de andere ploegen eens rustig te bekijken. De Spanjaarden van Kelme staan beteuterd rond te kijken, zoals John Major op een Labour-feestje. Wat zijn we hier in Miguel´s naam komen vragen de kleine klimmertjes zich af. Het antwoord weten we later: de finish bekijken in Meerbeke langs een dranghek.

Ons eerste punt langs de route is een kilometer of twintig buiten Sint Niklaas. Een vroege vlucht plus de harde rugwind zorgt ervoor dat de renners al gelijk langsvliegen als wij er net zijn. Achterin de groep worden ondanks de hoge snelheid gevaarlijke plas-toeren uitgehaald. Ook het afpellen van overschoenen (na 20 km! Trek ze dan níet aan!) tegen 55 per uur is leuk om te zien.
Snel naar de volgende plaats, waar we Marc Stassijns (de oudere lezers weten wie dat is) en Mister Michel Verschuren van Anderlecht ook staan, zoals voorspeld door Luc. Ieder jaar steken zij ook af, al lijkt het meer op gewoon volgen, want later bij de Paddestraat zitten achter de auto van koersdirecteur Eddy Merckx strak achter de kopgroep. Hun chauffeur Herman van Springel (nóg oudere lezers weten ook wie dat is) is immers een goede vriend van Eddy dus dat mag. Oud-renners van wie Eddy Merckx ooit zei: wie is dit?, kunnen zoiets wel vergeten. Luc dus ook, al heeft hij nog gekoerst met Eddy Planckaert en Rudy Matthijs.

Drie punten later staan we bij de kasseien van Wannegem-Lede. Een groep van 15 man heeft daar 3 minuten voorsprong. De heli kopters kondigen hun komst aan en ik schiet foto´s vanuit een droge sloot, vlak na een scherpe bocht. De kopgroep rijdt voorbij en dan volgt een pak auto´s waar Zandvoort u tegen zegt. Jakkeren is te netjes uitgedrukt voor de rijstijl van velen van hen. José de Cauwer rijdt in zijn gastenwagen op twee wielen door de bocht en gooit nog wat stof en zand over de mensen in de bocht. Hun gescheur zorgt er voor dat de spanning nu ook bij het publiek begint te komen. Sommige mensen willen na de kopgroep al weer naar de auto toe rennen. De idioten! Zien vijf renners en zetten het al weer op een lopen. Wij wachten de hele karavaan af en zien diverse Kelme´s vertwijfeld om Madre Mia dan wel Cafés con Leche roepen.

Op de Paddestraat, het volgende punt, is de schade van de voorgaande Molenberg nog goed zichtbaar. Een totaal verbrokkeld veld komt in zes, zeven groepen voorbij. Helemaal achteraan (lek op de Molenberg) Jo Planckaert. Dat zal nooit wat worden met Jo, horen we diverse toeschouwers zeggen. Wachten jullie maar af, denkt Jo.

Zoals namelijk viel te verwachten valt de koers volledig stil tussen Zottegem en de Kwaremont. In Oudenaarde is de bevoorrading, maar omdat ik al een bidon van Indurain heb en andere bidonnen dan niet meer interessant zijn, rijden we door naar de top van Kwaremont. Daar staat een aantal gastenbussen van sponsors opgesteld. Claude Criquielion leidt hen naar een veldje waar ze renners goed kunnen zien. Zo zie je maar, iedere redelijke oud-renner heeft zo zijn functie in het geheel. Het leuke van deze plaats in de route is dat je de renners twee keer ziet langskomen binnen een kwartier; eerst op de top de Knokteberg, dan op de top van de Kwaremont. Het gaat namelijk om dezelfde bult, die van twee kanten wordt beklommen. Merkwaardig genoeg zijn wij niet de enigen die dit buitenkansje in de route hebben opgemerkt en dus staan er werkelijk honderden mensen op de top. Als de renners voor het eerste langskomen, sprinten de mensen naar de Kwaremont (200 meter verderop). Letterlijk dwars door de volgerskaravaan heen rent men weg. De Cofidis-ploegleiderswagen moet boven op zijn rem om rampen te voorkomen.

Op weg nu naar de Tenbossestraat in Brakel, waar al menigmaal de beslissing is gevallen. Via een radio horen we dat Jalabert is gelost op de Berendries. Hoe is dat mogelijk? We hoorden immers op weg naar Brakel dat Jalabert iedereen volledig naar huis reed! Even later kunnen we hem met eigen zien voorbijkruipen. Net als later in L-B-L is er op zijn zit niets aan te merken terwijl hij stuk zit. Hij wekt de indruk alsof het hem niets meer interesseert. Op deze berg moet ook Tristan Hoffman definitief lossen. De ogen staan hem scheel in de kop en hij kronkelt op zijn fiets.

Luc roept al weer. Vlug, vlug naar de auto want we willen de finish zien. Op de grote weg naar Meerbeke rijden we achter de tweede wagen van Roslotto en voor Batik. Zij rijden met enkele afgestapten ook naar de streep. We parkeren op een snelweg die dienstdoet als parkeerplaats. Meer dan een kilometer moeten we lopen naar de laatste bocht. Daarna volgen nog 700 meter richting streep. We komen tot 75 meter van de meet, die gelukkig wat omhoog loopt zodat we toch goed kunnen zien wat er gebeurt. Via de speaker horen we dat Sörensen zijn vluchtmaten Moncassin en Ballerini in de steek heeft gelaten. Omdat wij toch een onverklaarbare sympatie voor de Rabobank hebben, vinden we deze ontwikkeling helemaal niet verkeerd. Een paar minuten later rijdt de Deen langs onze neus en langs de plofnadar´s, die voor het eerst gebruikt worden. Plof nadar´s, zegt u? Is dat een soort zuigtremet of moet ik dat eerder in de hoek van de droogknoepers en schemerharken zoeken? De nadar is het hek langs de aankomst, waar de spandoeken aan hangen. Sponsor Kredietbank (foute sponsor) ontwikkelde, om valpartijen over de uit-stekende pootjes van het hek te voorkomen, een opblaasbaar spandoek over het hek heen. De plof slaat daarbij denk ik op de zachte valpartij die men dan zou kunnen maken. Helaas is geen der renners zo sympathiek om dit te demonstreren.

Sörensen wint onder het toeziend oog van de voltallige Kelme-ploeg, die gewassen en geschoren tegen de hekken leunen. Het nieuws van zijn zege gaat snel rond want als het peloton over de streep komt gaan alle Rabo-handjes de lucht in. Verderop staan de rabo-verzorgers te dansen met de winnaar. Kortom, goed voor de ploeg. Voor ons begint een rondgang langs de ploegleiderswagens waren al dan niet tevreden renners hun verhaal vertellen aan pers en teambazen. Vooral Patrick Lefevre wordt belaagd door de pers. Rust er een vloek op Museeuw´s trui, wil men weten. Bij Scrigno´s is het veel rustiger, hoewel de verslaggever van de Gazzetta dello Sport wel eens wil weten wie Casarotto nou eigenlijk is. Ploegleider Reverberi, een echte Italiaanse patron met trainingspak aan, geeft uitleg terwijl Guidi zich steunend en zuchtend op de chauffeursstoel laat zakken. Het viel hem niet mee. Ons wel daarentegen! Het is schitterend om een massaspektakel om zo´n manier te kunnen volgen, al had er door de drukte en het nadelige parkoers misschien wel meer ingezeten voor ons. Maar met onze 8 flitsen plus de start en aankomst mogen we niet klagen. Wieler Revue kwam maar tot 6 keer ondanks hun fraaie auto.

Tjeerd Roosjen

Onze sponsoren